ECLI:NL:GHLEE:2011:BP8915
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- G. Dam
- L.T. Wemes
- P. Greve
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak bestuurder wegens onvoldoende bewijs van bedrieglijke verkorting faillissementsboedel
Verdachte werd beschuldigd van het als bestuurder van een failliete rechtspersoon overmaken van bedragen zonder dat daar een betalingsverplichting tegenover stond, wat zou leiden tot bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers. De rechtbank had een deel van de dagvaarding nietig verklaard en verdachte veroordeeld.
In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en verklaarde het deel van de dagvaarding dat onvoldoende feitelijk was omschreven nietig. Verdachte voerde aan dat de betalingen gebaseerd waren op bestaande betalingsverplichtingen tussen met hem verbonden vennootschappen, gesteund door facturen, jaarstukken en bankafschriften.
Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat de betalingen zonder betalingsverplichting waren gedaan. Ook het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens procesverloop en schending van het gelijkheidsbeginsel werd verworpen. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevordering.
Het hof sprak verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De dagvaarding werd voor het deel inzake administratieverplichting nietig verklaard.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van bedrieglijke verkorting van de faillissementsboedel.