ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0858

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-001284-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verkoop gebruikershoeveelheid cocaïne met voorwaardelijke geldboete

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het verkopen van ongeveer 0,2 gram cocaïne, een gebruikershoeveelheid. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof achtte bewezen dat verdachte op 9 februari 2004 in een Nederlandse gemeente cocaïne had verkocht.

Het hof oordeelde dat verdachte strafbaar was en wees strafuitsluitingsgronden af. Gezien de geringe hoeveelheid en het feit dat het een eenmalige verkoop betrof, legde het hof een geldboete van €300,- op, subsidiair zes dagen vervangende hechtenis. Vanwege een onredelijke vertraging in de afdoening van de zaak werd de geldboete voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

Het hof verwierp het verzoek van de advocaat-generaal om verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging op grond van artikel 9a Sv. Tevens werd €82,- teruggave gelast van het in beslag genomen geldbedrag en verklaarde het hof €10,- verbeurd. Verdachte had geen eerdere soortgelijke veroordelingen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €300,- wegens eenmalige verkoop van een gebruikershoeveelheid cocaïne.

Uitspraak

Parketnummer: 24-001284-10
Parketnummer eerste aanleg: 18-080747-04
Arrest van 11 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 18 november 2004 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1978] te [geboorteplaats],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
niet ter terechtzitting verschenen.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft beslist met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. In het geval dat het hof dit standpunt niet volgt en tot een veroordeling komt, vordert de advocaat-generaal dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:
hij op of omstreeks 9 februari 2004, in de gemeente [gemeente], opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet;
Bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat:
hij op 9 februari 2004, in de gemeente [gemeente], opzettelijk heeft verkocht 0,142 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Uit de stukken blijkt dat verdachte aan een persoon een gebruikershoeveelheid cocaïne heeft verkocht. Door het plegen van dit feit heeft verdachte het gebruik van cocaïne, een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid, bevorderd en de gezondheid van de gebruiker in gevaar gebracht.
Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 19 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het slechts een eenmalige verkoop van een geringe hoeveelheid cocaïne betrof - een gebruikershoeveelheid - en overigens niet is gebleken dat verdachte zich aan omvangrijker handel in harddrugs schuldig heeft gemaakt.
Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van zulke bijzondere omstandigheden of zo'n gering feit dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof stelt nog vast dat verdachte gedurende een lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afloop van deze zaak. Er is inmiddels sprake van een feit van meer
dan zeven jaren geleden. Ook heeft de betekening van het vonnis van de eerste rechter langdurig stilgelegen. Derhalve is naar het oordeel van het hof sprake van een onredelijke vertraging in de afdoening van de zaak. Het hof zal de straf die op zijn plaats wordt geacht van een geldboete van € 300,- daarom voorwaardelijk opleggen.
Teruggave
Aangezien op grond van het dossier onduidelijkheid bestaat of de officier van justitie heeft beslist tot teruggave ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag en of het (correcte) in beslag genomen geldbedrag aan verdachte is teruggegeven, zal het hof - nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet - de teruggave gelasten aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag ad € 82,-.
Verbeurdverklaring
Het door het hof verbeurd te verklaren geldbedrag van € 10,- is daarvoor vatbaar, nu dat geldbedrag geheel door middel van het bewezen verklaarde feit is verkregen en uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat dat geldbedrag aan verdachte toebehoort.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en
de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht,
zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;
veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;
beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;
beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
gelast de teruggave aan verdachte van € 82,-;
verklaart verbeurd € 10,-.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. P.W.J. Sekeris en mr. W. van Houtum, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper als griffier, zijnde mr. W. van Houtum buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.