ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5278

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
10 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.049.490/01 eindarrest
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelwijze toewijzing beroep op non-conformiteit woning wegens gebrekkige hotelschakelingen en mededelingsplicht

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de geleverde woning non-conform was vanwege gebrekkige hotelschakelingen bij twee trapopgangen en een rioollucht. Appellanten boden aan de hotelschakelingen zelf te repareren, maar geïntimeerden lieten deze door derden herstellen en vorderden vergoeding van de kosten. Het hof oordeelde dat door zelf reparaties te laten uitvoeren, geïntimeerden de mogelijkheid ontnamen aan appellanten om hun toezegging na te komen, waardoor de vordering op die grond faalde.

Het hof stelde vast dat appellanten op de hoogte waren van de gebrekkige werking van de hotelschakelingen en dat zij geïntimeerden hierover hadden moeten informeren. Door deze mededelingsplicht te schenden, konden zij zich niet beroepen op uitsluiting van aansprakelijkheid voor gebreken die normaal gebruik belemmeren. De herstelkosten van €418,88 werden als redelijk en toewijsbaar beoordeeld.

Daarnaast werden herstelkosten wegens rioollucht van €1.593,02 toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf 26 december 2007. Verdere schadevorderingen wegens aanvullende onderzoeken werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden deels gecompenseerd. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed nieuwe uitspraak waarbij appellanten werden veroordeeld tot betaling van €2.011,90 plus rente, met een gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen.

Uitkomst: Appellanten worden veroordeeld tot betaling van €2.011,90 plus wettelijke rente wegens gebrekkige hotelschakelingen en rioollucht, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering.

Uitspraak

Arrest d.d. 10 mei 2011
Zaaknummer 200.049.490/01
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
1. [appellant sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [appellant sub 2],
wonende te [woonplaats],
toevoeging,
appellanten in het principaal en geïntimeerden in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. D. Tiethof, kantoorhoudende te Margraten,
tegen
1. [geïntimeerde sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [geïntimeerde sub 2],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,
in eerste aanleg: eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],
advocaat: mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De inhoud van het tussenarrest d.d. 21 december 2010 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Partijen hebben ieder een akte genomen.
Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.
De verdere beoordeling
In het incidenteel appel
Wederom ten aanzien van grief 3
1. Inzake de hotelschakelingen overweegt het hof als volgt.
1.1. Uit de door partijen na het tussenarrest gewisselde aktes is duidelijk geworden dat [geïntimeerden] de hotelschakelingen bij de twee trapopgangen reeds begin 2008 hebben laten repareren en dat de nota's die eerder waren overgelegd als productie 12 bij inleidende dagvaarding (en thans wederom in hoger beroep) daarop betrekking hebben.
1.2. Voorts is nu helder wat de volgorde van handelingen is geweest. Bij brief van
10 februari 2008 (productie 8 bij inleidende dagvaarding) hebben [appellanten] aangeboden deze hotelschakelingen voor eigen rekening te laten repareren. Van dat aanbod hebben [geïntimeerden] geen gebruik gemaakt. Zij hebben zelf werkzaamheden aan de schakelaars laten verrichten. Bij brief van 9 april 2008 hebben zij de hiervoor genoemde reparatienota's aan [appellanten] toegezonden en hen verzocht het totaalbedrag van € 418,88 te vergoeden.
1.3. Uit deze gang van zaken blijkt dat de toezegging die [appellanten] op 10 februari 2008 hebben gedaan geen grondslag kan zijn voor de onderhavige vordering. Door de schakelaars zelf door een derde te laten repareren hebben [geïntimeerden] [appellanten] immers de mogelijkheid ontnomen hun toezegging na te komen. De toezegging hield niet in dat [appellanten] kosten van in opdracht van [geïntimeerden] uitgevoerde werkzaamheden zouden vergoeden.
1.4. Nu de toezegging geen grondslag kan opleveren voor de onderhavige vordering, resteert de vraag of de door [geïntimeerden] ingeroepen non-conformiteit dat wel kan zijn. De rechtbank heeft overwogen dat het onderhavige gebrek niet in de weg staat aan een normaal gebruik van het verkochte als woonhuis. Het hof leest in de (toelichting op) de grief geen deugdelijke bestrijding van dit oordeel, dat het hof tot de zijne maakt.
1.5. De rechtbank heeft wel geoordeeld dat [appellanten] een mededelingsplicht hebben geschonden. De grief klaagt er terecht over dat de rechtbank dit gegeven uitsluitend binnen de sleutel van het beroep op dwaling heeft betrokken, welk beroep zij vervolgens heeft verworpen. Terecht stellen [geïntimeerden] dat schending van een mededelingsplicht ook tot non-conformiteit kan leiden. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
1.6. Vaststaat dat [appellanten] ervan op de hoogte waren dat de hotelschakelingen niet goed werkten. Mede gelet op het feit dat in de door [appellanten] ingevulde vragenlijst de vraag of de elektrische installatie is vernieuwd bevestigend wordt beantwoord, is het hof van oordeel dat [appellanten] moesten begrijpen dat [geïntimeerden] van een juiste werking van de elektrische installatie uitgingen. Daarom hadden zij [geïntimeerden] over het onderhavige gebrek moeten informeren. Nu [appellanten] dat hebben nagelaten, kunnen zij op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid [geïntimeerden] niet tegenwerpen dat zij ([appellanten]) niet instaan voor andere gebreken dan die aan normaal gebruik van het verkochte in de weg staan, of dat [geïntimeerden] in hun onderzoeksplicht zijn tekortgeschoten.
1.7. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] voldoende aannemelijk gemaakt dat de herstelkosten kunnen worden begroot op € 418,88, overeenkomstig de twee door hen overgelegde reparatienota’s. Het verweer van [appellanten] dat deze nota’s (mede) betrekking hebben op door [geïntimeerden] gewenste verbeteringen, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Zeker in dit stadium van de procedure had van [appellanten] mogen worden verwacht dat zij dat verweer hadden gestaafd met bijvoorbeeld een verklaring van de monteur die zij stellen te hebben gesproken. Daarom wordt dit verweer gepasseerd.
Slotsom in het incidenteel appel
2. Grieven 3 en 4 slagen. In zoverre leidt dit tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Het hiervoor genoemde bedrag van € 418,88 is toewijsbaar. De gestelde tot dusver gemaakte herstelkosten in verband met de rioollucht ad € 1.593,02 zijn niet door [appellanten] bestreden. De vordering tot schadevergoeding is ook in zoverre toewijsbaar. Totaal is dan ook € 2.011,90 toewijsbaar. De wettelijke rente vanaf 26 december 2007 is als niet afzonderlijk weersproken eveneens toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is welk deel van de gevorderde buitengerechtelijke kosten aan deze onderdelen van de vordering kan worden toegerekend, zodat ter zake niets toewijsbaar is (zie ook hierna in het principaal appel). [geïntimeerden] hebben onvoldoende onderbouwd dat inzake de rioollucht de mogelijkheid van verdere schade aannemelijk is. Het gestelde over (onderzoek naar) een verdere oorzaak en het dichtmaken van vloeren (in verband met dat onderzoek?) is te vaag. Gelet op de inmiddels verstreken tijd had op dit punt van [geïntimeerden] een nadere toelichting mogen worden verwacht. De vordering tot betaling van verdere schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, wordt dan ook afgewezen. Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in het incidenteel hoger beroep compenseren als na te melden.
In het principaal appel
Slotsom
3. Het hof verwijst naar het tussenarrest. Daaruit blijkt dat de grieven 1 en 2 slagen. Volledigheidshalve voegt het hof daaraan toe dat het beroep op wederzijdse dwaling niet, althans ontoereikend is onderbouwd. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis. De onderhavige vorderingen van [geïntimeerden] zullen alsnog worden afgewezen. Dit geldt ook voor de daarmee verbonden nevenvordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten. De proceskosten in eerste aanleg zal het hof compenseren als na te melden, nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld. In zoverre slaagt grief 3; zij faalt voor zover de grief strekt tot veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van de eerste aanleg. [geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het principaal hoger beroep (1 ½ punt in tarief II).
De beslissing
Het gerechtshof:
In het principaal en het incidenteel appel
vernietigt het vonnis van 12 augustus 2009 waarvan beroep
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellanten] tot betaling aan [geïntimeerden] van schadevergoeding ten bedrage van € 2.011,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2007 tot aan de voldoening;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun in hoger beroep gevorderde verklaringen voor recht;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] op € 385,25 aan verschotten en € 1.341,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;
bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan
€ 228,75 aan verschotten en € 1.341,- voor geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv Pro;
compenseert de kosten van het incidenteel appel aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarin vervatte vernietiging en veroordelingen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, L. Groefsema en I. Tubben, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 10 mei 2011 in bijzijn van de griffier.