ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7344
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging samenwerking en afwijzing samenwerkingsovereenkomst tussen ondernemers
Partijen, beiden ondernemers, spraken in 2006 over samenwerking waarbij appellant zijn commerciële vaardigheden en geïntimeerde zijn technische capaciteiten zouden bundelen. Een proefperiode van juni tot augustus 2006 werd overeengekomen, met de intentie om vanaf september 2006 samen te werken in één onderneming. Ondanks overleg en intentieverklaringen is geen definitieve samenwerkingsovereenkomst gesloten.
Appellant vorderde betaling van kosten en bijdragen op basis van een samenwerkingsovereenkomst, terwijl geïntimeerde stelde dat slechts sprake was van een overeenkomst van opdracht. Het hof stelde vast dat partijen feitelijk samenwerkten, maar dat essentiële afspraken over rechtsvorm, inbreng en bedrijfsvoering ontbraken. De stelplicht en bewijslast lagen bij appellant, die onvoldoende bewijs leverde.
Het hof verwierp de vorderingen van appellant en oordeelde dat er geen samenwerkingsovereenkomst was. Ook een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig afbreken van onderhandelingen faalde wegens gebrek aan onderbouwing. De proceskostenveroordeling werd deels vernietigd, waarbij appellant werd veroordeeld in de proceskosten in conventie. Het arrest bevestigt dat samenwerking zonder duidelijke afspraken niet leidt tot een onderneming.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellant af en veroordeelt hem in de proceskosten in conventie.