ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8967

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
22 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002541-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 22d SrArt. 24c SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vernieling van ruit bij grillroom met werkstraf en schadevergoeding

Het gerechtshof Leeuwarden heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van het vernielen van een ruit van een grillroom op 3 maart 2010.

Het hof achtte wettig bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van het bedrijf had vernield. Verdachte ontkende het feit, maar dit verweer werd door het hof verworpen. De strafoplegging hield rekening met eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten.

Het hof veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 30 uur, met een subsidiaire hechtenis van 15 dagen indien de werkstraf niet naar behoren wordt verricht. Tevens werd verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €357,69 aan de benadeelde partij, met een vervangende hechtenis van 7 dagen bij niet-betaling.

Het hof legde tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op om de schadevergoeding te bevorderen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 uur werkstraf en betaling van €357,69 schadevergoeding met vervangende hechtenis.

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-002541-10
Uitspraak d.d.: 22 juni 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 11 oktober 2010 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1991],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 6 april 2011 en 8 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot strekkende tot veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J. Buitenhuis, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 maart 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een raam/ruit (van de [bedrijf], gelegen aan of bij de [adres], aldaar), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 3 maart 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de [bedrijf], gelegen aan de [adres], aldaar, toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een van de ruiten van [bedrijf] te [plaats]. Hij heeft met dit handelen schade en overlast berokkend aan de gedupeerden en hij heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van die gedupeerden.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte vaker is veroordeeld ter zake van - onder meer - soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens is gebleken uit het strafdossier.
Met name de omstandigheid dat verdachte reeds eerder werd veroordeeld, en dus was gewaarschuwd, maakt dat naar het oordeel van het hof dat oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 425,65. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 357,69. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 357,69 (driehonderdzevenenvijftig euro en negenenzestig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 357,69 (driehonderdzevenenvijftig euro en negenenzestig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door
mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. M.F.H.M. van Haastert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,
en op 22 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.F.H.M. van Haastert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.