ECLI:NL:GHLEE:2011:BR0726
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep sociaal zekerheidsfraude met lagere taakstraf wegens procedurele vertraging
Verdachte werd in hoger beroep vervolgd voor het opzettelijk niet tijdig verstrekken van gegevens aan de Intergemeentelijke sociale dienst, waardoor zij ten onrechte een WWB-uitkering ontving. Het hof achtte bewezen dat verdachte in de periode van december 2007 tot oktober 2008 relevante informatie over haar gezamenlijke huishouding en ontvangen giften heeft achtergehouden.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter omdat het tot een andere bewijsbeslissing kwam en sprak verdachte vrij van andere tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. De strafbaarheid werd vastgesteld op grond van het opzettelijk nalaten van gegevensverstrekking, wat het stelsel van sociale zekerheidsuitkeringen ondermijnt.
Vanwege een onredelijke vertraging van ruim anderhalf jaar in de hoger beroepsprocedure, oordeelde het hof dat de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een lagere strafoplegging dan geëist: een werkstraf van 40 uur, met een vervangende hechtenis van 20 dagen bij niet-nakoming.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte en het ontbreken van eerdere veroordelingen werden meegewogen. Het hof paste de artikelen 22c, 22d en 227b van het Wetboek van Strafrecht toe zoals die golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur wegens sociaal zekerheidsfraude met matiging vanwege procedurele vertraging.