ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1536

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-000651-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 3 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling werkstraf wegens bezit grote hoeveelheid hennepplanten en vrijspraak inbraak

Het gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden. Verdachte werd primair verdacht van inbraak en diefstal in een woning, en subsidiair van poging daartoe, alsmede van het samen met een ander aanwezig hebben van een zeer grote hoeveelheid hennepplanten.

Tijdens het hoger beroep werd verdachte niet-ontvankelijk verklaard voor de tenlasteleggingen onder 2 tot en met 7. Het hof vernietigde het vonnis voor zover het de onder 1 ten laste gelegde feiten betreft en sprak verdachte vrij van inbraak en poging tot inbraak wegens onvoldoende objectief bewijs.

Tegelijkertijd werd verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, voor het bezit van de hennepplanten. De straf voor de overige bewezen verklaarde feiten werd vastgesteld op 24 weken gevangenisstraf. Het arrest werd uitgesproken op 14 juli 2011 door de meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur werkstraf voor bezit hennepplanten en vrijgesproken van inbraak wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-000651-11
Uitspraak d.d.: 14 juli 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 17 maart 2011 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1979],
Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte ten aanzien van de hem onder 2 tot en met 7 ten laste gelegde feiten, alsmede een veroordeling van verdachte ter zake het hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Ten aanzien van de straf die ter zake de onder 3 tot en met 7 door de rechtbank bewezen verklaarde feiten dient te worden bepaald, refereert de advocaat-generaal zich aan het oordeel van het hof. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, dient verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Namens verdachte is op 25 maart 2011 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Op 28 april 2011 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aangevangen middels uitroeping van de zaak ter terechtzitting, waarna het onderzoek ter terechtzitting is aangehouden tot 30 juni 2011. Hierna heeft de raadsman van de verdachte bij akte rechtsmiddel van 23 juni 2011, derhalve voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 30 juni 2011, het op 25 maart 2011 ingestelde hoger beroep ingetrokken, voor zover het betreft het aan verdachte onder 2 tot en met 7 ten laste gelegde.
Gelet op al het vorenstaande zal het hof verdachte ten aanzien van het hem onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
Het hoger beroep is daarom beperkt tot dat deel van het vonnis, waarbij verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde is veroordeeld.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan hoger beroep onderworpen - vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:
feit 1 primair:
hij op of omstreeks 26 november 2010 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aldaar aan de [adres] gelegen woning heeft weggenomen enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 26 november 2010 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aldaar aan de [adres] gelegen woning weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voormelde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,
- de ruit van de balkondeur van de woning heeft vernield en/of
- in die woning naar binnen is gegaan en/of
- vervolgens in de woning heeft gezocht naar goederen van zijn, verdachtes gading,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vrijspraak
Verdachte wordt verweten dat hij in een woning gelegen aan de [adres] te [plaats] heeft ingebroken om (vervolgens) goederen te stelen, dan wel dat hij hiertoe een poging heeft gedaan.
Op 26 november 2010 om 05:20 uur krijgt de politie Fryslân een melding inhoudende - zakelijk weergegeven - dat aangeefster [slachtoffer] zojuist een insluiper in haar woning aan de [adres] heeft waargenomen. Het zou volgens aangeefster gaan om een negroïde man tussen de 30 en de 35 jaren en tussen de 1.65 en 1.75 meter lang. De man zou een normaal postuur hebben, alsmede een blauwe jas en een zwarte muts of haarnet dragen. In de muts of het haarnet zouden dreadlocks kunnen zitten. Vervolgens wordt vrijwel onmiddellijk na de melding in de buurt van de [adres], op de [straat], verdachte aangehouden; een negroïde man met een donkere jas en een haarnet waarin kennelijk dreadlocks zitten.
Verdachte heeft wisselend verklaard omtrent zijn betrokkenheid bij voornoemd ten laste gelegde feit. Als voor verdachte belastend bewijs bevat het procesdossier een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat verdachte vrijwel onmiddellijk na de melding van aangeefster in de directe nabijheid van de plaats delict is aangetroffen en het feit dat verdachte voldoet aan het door aangeefster opgegeven - overigens als algemeen aan te merken - signalement.
Naar het oordeel van het hof bevat het procesdossier (voorts) onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de overtuiging te bekomen dat verdachte degene is geweest die in de vroege ochtend van 26 november 2010 in de woning van aangeefster [slachtoffer] is geweest. Verdachte zal gelet op vorenstaande worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het hem onder 2 tot en met 7 ten laste gelegde.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het aan verdachte onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde op een gevangenisstraf voor de duur van 24 weken.
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. K.J. van Dijk en mr. J. Hielkema, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra, griffier,
en op 14 juli 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.