ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1590

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
WAHV 200.073.626
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dijkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 AwbArt. 14 WAHV
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij bestuursstrafzaak

Het gerechtshof Leeuwarden behandelde het hoger beroep van een in Duitsland woonachtige betrokkene tegen een beslissing van de kantonrechter Utrecht inzake een bestuursstraf. De betrokkene ontving een Duitstalige eerste aanmaning, maar stelde niet binnen de wettelijke termijn van zes weken beroep in. Het beroepschrift werd pas ruim na afloop van deze termijn ingediend, waardoor het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

Hoewel de betrokkene de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en de rechtsmiddelenverwijzing in het Nederlands was gesteld, achtte het hof dit geen reden om het verzuim te vergoelijken. Van betrokkene mocht worden verwacht dat hij na ontvangst van de eerste aanmaning zo spoedig mogelijk actie zou ondernemen. Het hof kon daardoor niet inhoudelijk ingaan op de bezwaren tegen de sanctie.

Het arrest benadrukt het belang van tijdige beroepsinstelling en de plicht van de betrokkene om bij onduidelijkheden contact op te nemen met het bevoegde OM. Voor bezwaar tegen de betalingsverplichting dient betrokkene zich tot de officier van justitie te wenden. Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige beroepsinstelling.

Uitspraak

WAHV 200.073.626
17 mei 2011
CJIB 128390772
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 6 mei 2010
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] (Duitsland).
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
Het CJIB heeft aan de betrokkene een tweede aanmaning toegezonden, gedagtekend
24 augustus 2010. Op 6 september 2010 heeft het CJIB een schrijven van de betrokkene met als bijlage een tweede aanmaning ontvangen. Het CJIB heeft dit schrijven met bijlage doorgezonden naar de rechtbank met het verzoek de behandeling over te nemen. De griffier van de rechtbank heeft het schrijven van de betrokkene aangemerkt als beroepschrift, gericht tegen de beslissing van de kantonrechter van 6 mei 2010. Vervolgens zijn voormeld schrijven van de betrokkene en de gedingstukken aan de griffier van het hof gezonden.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Voor zover de betrokkene met voormeld schrijven heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de kantonrechter van 6 mei 2010, overweegt het hof het volgende.
2. Ingevolge het bepaalde in artikel 14, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.
3. Blijkens de gedingstukken is de bestreden beslissing op 6 mei 2010 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 17 juni 2010. Het beroepschrift is gedateerd 2 september 2010 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 6 september 2010 bij het CJIB ingekomen. Het hoger beroep is dus niet tijdig ingesteld.
4. Artikel 6:11 Awb Pro bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Indien moet worden aangenomen dat een betrokkene de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, brengt het bepaalde in artikel 6 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mee, dat mededelingen die betrekking hebben op de wettelijke vereisten waaraan moet zijn voldaan wil het beroep bij de rechter ontvankelijk zijn, moeten worden gedaan in een taal die hij redelijkerwijze geacht kan worden te beheersen. Bij gebreke daarvan is het in artikel 6 EVRM Pro besloten liggende recht op toegang tot de rechter niet gewaarborgd.
6. Aangenomen moet worden dat de betrokkene de Nederlandse taal niet beheerst, aangezien hij in Duitsland woont en steeds in de Duitse taal heeft gecorrespondeerd.
7. Onder de beslissing van de kantonrechter is de betrokkene in de Nederlandse taal gewezen op de mogelijkheid om daartegen hoger beroep in te stellen. Nu de rechtsmiddelenverwijzing niet in de Duitse taal is gesteld, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest.
8. Van de betrokkene mag evenwel worden verwacht dat hij, wanneer zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan hij van het bestaan van de beslissing van de kantonrechter op de hoogte kan zijn, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is beroep instelt. Het hof gaat er van uit dat aan de betrokkene alvorens aan hem die tweede aanmaning is gezonden, overeenkomstig de bij het hof bekende praktijk bij het CJIB, al een Duitstalige eerste aanmaning is gezonden. Vanaf het moment dat de betrokkene de eerste aanmaning ontving -volgens het zaakoverzicht is deze op 6 juli 2009 aan de betrokkene toegezonden-, mocht van hem activiteit worden verwacht met betrekking tot de procedure.
9. Nu de betrokkene derhalve niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is beroep heeft ingesteld, zal het hof het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaren. Dit houdt in dat het hof niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie.
10. Voor zover de betrokkene bezwaar heeft willen maken tegen de in de tweede aanmaning opgenomen betalingsverplichting, merkt het hof op, dat hij zich daarvoor met een gemotiveerd verzoek zal dienen te wenden tot de officier van justitie te Leeuwarden, die belast is met de inning van de sanctie.
Beslissing
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van Heyboer-Vermeij als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.