ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7355

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
12 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
24-002193-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 Algemene BijstandwetArt. 17 Wet Werk en BijstandArt. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs medeplegen bijstandsfraude

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het ten laste gelegde medeplegen van bijstandsfraude door het niet melden van samenwoning met een medeverdachte, die een uitkering ontving. Verdachte werd verweten dat hij samen met medeverdachte niet de vereiste gegevens had verstrekt, wat kon leiden tot bevoordeling.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof het dossier en de behandeling ter terechtzitting grondig onderzocht. Er bleek geen bewijs dat verdachte een rol heeft gehad bij het invullen van de rechtmatigheidsformulieren of anderszins betrokken was bij het plegen van de fraude. Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist, welke niet kon worden vastgesteld.

De advocaat-generaal had een werkstraf geëist, maar het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het hof oordeelde dat verdachte niet schuldig was aan het ten laste gelegde feit van bijstandsfraude.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor medeplegen bijstandsfraude.

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden
Sector strafrecht
Parketnummer: 24-002193-10
Uitspraak d.d.: 12 oktober 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 september 2010 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1969],
wonende te [woonplaats], [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 september 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. H.M.A.W. Erven, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 16 april 2007 in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in strijd met een aan [medeverdachte] bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenplicht op grond van artikel 65 van Pro de Algemene Bijstandwet en/of artikel 17 van Pro de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten het recht van [medeverdachte] op een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader (telkens) niet gemeld dat [medeverdachte] samenwoonde met hem, verdachte;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] bijstandsfraude heeft gepleegd. Verdachte en [medeverdachte] - zijnde [medeverdachte] degene die de uitkering ontving en op wie derhalve de plicht rustte maandelijks een zogenoemd rechtmatigheidsformulier in te vullen - zouden ten onrechte niet hebben gemeld zij samenwoonden. Verdachte ontkent zich aan het ten laste gelegde schuldig te hebben gemaakt.
Voor een bewezenverklaring ter zake van medeplegen, zoals is ten laste gelegd, is vereist dat er tussen verdachten sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking. Nu uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte een rol heeft gehad bij het invullen van de rechtmatigheidsformulieren, of anderszins bij (de totstandkoming van) het ten laste gelegde betrokken is geweest, kan niet worden bewezen dat hij tezamen en in vereniging met [medeverdachte] bijstandsfraude heeft gepleegd.
Nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal verdachte van het hem ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. K. Lahuis, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. T.H. Bosma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,
en op 12 oktober 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Rietveld is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.