ECLI:NL:GHLEE:2011:BT8743
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens onvoldoende objectieve gronden
In deze zaak stond de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen centraal, die door de Raad voor de Kinderbescherming was verzocht vanwege zorgen over hun ontwikkeling. De kinderrechter had de kinderen voor zes maanden onder toezicht gesteld, maar de vader ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof beoordeelde of de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd was op grond van artikel 1:254 lid 1 BW Pro en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Hoewel er zorgen waren over de opvoedingssituatie, zoals gezondheidsproblemen van de vader, leerachterstanden en incidenten met de kinderen, vond het hof dat deze niet ernstig genoeg waren om de maatregel te rechtvaardigen. Diverse onafhankelijke informanten, waaronder schoolmentoren en medisch specialisten, maakten zich geen ernstige zorgen.
De raad had onvoldoende objectieve feiten aangeleverd die een ernstige bedreiging van de zedelijke, geestelijke belangen of gezondheid van de kinderen aannemelijk maakten. Ook vermoedens van seksueel misbruik waren niet voldoende onderbouwd. Het hof vernietigde daarom de beschikking van de kinderrechter en wees het verzoek tot ondertoezichtstelling af.
Het belang van de kinderen stond voorop en het hof benadrukte dat inmenging in het gezinsleven alleen gerechtvaardigd is bij duidelijke en objectieve bedreigingen. De zaak werd behandeld in aanwezigheid van de vader en zijn advocaat, terwijl BJZ niet ter zitting verscheen.
Uitkomst: Het gerechtshof wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af wegens onvoldoende objectieve feiten die een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen aantonen.