WAHV 200.091.057
3 februari 2012
CJIB 142227999
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht
van 7 juni 2011
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie gewijzigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 20 januari 2012. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M. Heida.
Beoordeling
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt € 17,-. Op grond hiervan dient het hoger beroep van de betrokkene in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2. De betrokkene stelt dat hij niettemin recht heeft op een behandeling van zijn hoger beroep. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. In eerste instantie heeft er op 28 maart 2011 een mondelinge behandeling bij de kantonrechter plaatsgevonden. De kantonrechter heeft de zaak toen aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aanvullend commentaar te geven naar aanleiding van het door de betrokkene overgelegde arrest. Vervolgens heeft de kantonrechter, zonder een nadere mondelinge behandeling, uitspraak gedaan. De kantonrechter heeft ten onrechte afgezien van het horen van de betrokkene. Deze gang van zaken is in strijd met artikel 8:54 van de - naar het hof begrijpt - Algemene wet bestuursrecht, aldus de betrokkene.
3. Ter zitting heeft de betrokkene zijn verweer gehandhaafd en hieraan het volgende toegevoegd. In reactie op het schrijven van de rechtbank d.d. 27 april 2011 heeft hij bij brief van 17 mei 2011 aangegeven dat de zaak dient te worden voortgezet vanaf het moment dat werd geschorst. Hiermee heeft hij een hernieuwd zittingsverzoek gedaan. Deze brief is niet aangekomen. Tevens stelt de betrokkene zich op het standpunt dat de rechtbank had moeten rappelleren in verband met de verzuimregeling. De betrokkene legt een kopie van de brief van 17 mei 2011 over. Voorts heeft de betrokkene verzocht om vergoeding van reiskosten.
4. Het hof is van oordeel dat wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging, zoals schending van het beginsel van hoor en wederhoor, dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV gewettigd is. Indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt, kan er naar het oordeel van het hof sprake zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
5. Het hof stelt het volgende voorop. Hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is ingevolge artikel 9 WAHV niet van toepassing op het opleggen van een administratieve sanctie op grond van de WAHV, zodat het betoog van de betrokkene in zoverre geen doel treft. Daarnaast was de kantonrechter, anders dan de betrokkene meent, na het uitblijven van een reactie op de brief d.d. 27 april 2011, niet gehouden om de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn verzuim te herstellen. Artikel 6:6 Awb is slechts van toepassing op verzuimen die bij geen herstel leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.
6. Artikel 12, eerste lid, WAHV luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
''De kantonrechter stelt, alvorens nader te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.''
7. Uit het dossier blijkt het volgende. De betrokkene is bij schrijven van 28 februari 2011 opgeroepen om te verschijnen op de zitting van de kantonrechter van 28 maart 2011. Blijkens het proces-verbaal van deze zitting heeft de kantonrechter, in overleg met de vertegenwoordiger van de officier van justitie en de betrokkene, de behandeling van de zaak aangehouden, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aanvullend commentaar te geven naar aanleiding van het overgelegde arrest en aan de betrokkene en de kantonrechter toe te zenden. Daarna zal de betrokkene verzocht worden te verklaren of hij hierop schriftelijk wenst te reageren, ofwel een mondeling behandeling wenst. Vervolgens heeft de vertegenwoordiger van de officier van justitie bij schrijven van 20 april 2011 een reactie overgelegd. Bij schrijven van 27 april 2011 heeft de griffier van de rechtbank deze reactie aan de betrokkene toegestuurd. Tevens is de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen 3 weken schriftelijk te reageren dan wel aan te geven of hij een mondeling behandeling wenst.
8. Het hof acht een dergelijke gang van zaken niet in overeenstemming met het systeem van de wet. Indien nadere informatie wordt ingewonnen na afloop van de zitting van de kantonrechter, dient in beginsel een vervolgzitting plaats te vinden alvorens de kantonrechter op het beroep beslist, behoudens wanneer partijen uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven om de verdere behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten, waarvan in casu niet is gebleken. Uit de omstandigheid dat niet binnen 3 weken een nadere reactie van de betrokkene was ontvangen, kan niet worden afgeleid dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Gelet hierop, is er naar het oordeel van het hof grond om het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV te doorbreken. Nu de betrokkene is opgeroepen voor de behandeling van het hoger beroep ter zitting van het hof en de schending van het in artikel 12, eerste lid, WAHV vervatte recht op hoor en wederhoor in zoverre is hersteld, zal worden volstaan met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en zal het hof, op de voet van artikel 20d, eerste lid, WAHV, op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslissen.
9. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, wegens het niet tijdig indienen van de gronden van beroep.
10. Uit het dossier blijkt het volgende. De betrokkene heeft bij schrijven van 18 juni 2010 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking zonder daarbij de gronden voor dat hoger beroep aan te geven. Derhalve was niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat de betrokkene in verzuim verkeerde. De officier van justitie heeft de betrokkene bij brief van 12 augustus 2010 op dit verzuim gewezen en hem in de gelegenheid gesteld dit binnen vier weken na de dagtekening van die brief te herstellen, onder mededeling van de gevolgen van het niet tijdig herstellen van bedoeld verzuim.
11. Gelet op de dagtekening van voormelde brief van de griffier aan de betrokkene, eindigde de termijn voor herstel van het verzuim op 9 september 2010. Bij een nader schrijven, dat door de betrokkene is gedateerd op 6 september 2010, heeft de betrokkene alsnog de gronden van het beroep opgegeven. Dit schrijven is blijkens een daarop geplaatste stempel op 7 september 2010 afgegeven bij de centrale balie van het paleis van justitie te 's-Gravenhage. Gelet op het voorgaande is het verzuim dus tijdig hersteld. Dit brengt mee dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop zal het hof het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
12. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 17,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 4 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 31 mei 2010 om 21.25 uur op de A12 (trajectcontrole) te Woerden met het voertuig met het kenteken [00-ABA-0].
13. De betrokkene betwist de juistheid van de snelheidsmeting en voert het volgende aan. Het eindtijdstip is 21:25:09. Het begintijdstip is niet nader aangegeven. Uit het feit dat de tijd slechts tot in hele seconden nauwkeurig is vastgesteld dient de tijdsduur met 0,99 seconden te worden verhoogd. Op basis van eigen berekeningen komt de betrokkene op een geconstateerde snelheidsmeting van 127 km/h uit. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het een zeer geringe overschrijding van de maximum snelheid betreft, dient de beschikking te worden vernietigd, aldus de betrokkene.
14. In de Aanwijzing snelheidsovertredingen en snelheidsbegrenzers (2010A002) (hierna: de Aanwijzing) is vastgesteld dat de maximale afwijking van het afgelezen meetresultaat 3 km/h bedraagt bij snelheden tot en met 100 km/h en 3 procent bij snelheden boven de 100 km/h.
15. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
16. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
Gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid: 128 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid: 124 km per uur.
Toegestane snelheid: 120 km per uur.
Overschrijding met: 4 km per uur.
De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid. (…)
De overtreding werd automatisch en langs electronische weg digitaal geconstateerd en vastgelegd. Het snelheidscontroletraject bevond zich in de gemeente Woerden.
De geconstateerde gemiddelde snelheid was het resultaat van een berekening die plaatsvond op basis van de tijdsduur en de afgelegde wegafstand van het controletraject.
IJkdatum: 28-10-2009. (…)”
17. Daarnaast bevinden zich afschriften van een foto van de gedraging in het dossier. Op de foto is te zien dat een voertuig met kenteken [00-ABA-0] ter plaatse reed met een gemeten snelheid van 128 km per uur. Uit de gegevens in de databalk onder de foto blijkt dat de begintijd 21:23:42, en de eindtijd 21:25:09, is geweest. De stelling van de betrokkene dat het begintijdstip niet is aangegeven, mist derhalve feitelijke grondslag.
18. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de snelheidsmeting. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat de snelheidsmeting is verricht conform de Aanwijzing. Het hof volgt de stelling van de betrokkene, dat de tijdsduur met 0,99 seconden moet worden verhoogd, niet. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de Aanwijzing reeds volgt dat de gemeten snelheid standaard ten gunste van de betrokkene naar beneden wordt gecorrigeerd met de maximale afwijking, zodat elke mogelijke onnauwkeurigheid wordt uitgesloten. Nu uit het dossier evenmin blijkt van voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot twijfel aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
19. Nu is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en het hof overigens geen aanleiding ziet het bedrag van de sanctie te matigen dan wel nihil te stellen, zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
20. Het hof ziet in de vernietiging van de beslissing van de kantonrechter aanleiding de betrokkene een vergoeding toe te kennen van de door hem gemaakt reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting van het hof en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter op 28 maart 2011. Ingevolge artikel 2 van het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge dat artikel wordt in een geval als het onderhavige een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter komt aan de betrokkene toe een reiskostenvergoeding ter hoogte van € 19,80 ([woonplaats] - Utrecht v.v.). Daarnaast komt, in verband met het bijwonen van de zitting van het hof, voor vergoeding in aanmerking € 47,60 ([woonplaats] - Leeuwarden v.v.). Aan de betrokkene komt derhalve in totaal toe een reiskostenvergoeding ter hoogte van € 67,40.
21. Gelet op het vooroverwogene wordt beslist als volgt.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 23 september 2010; verklaart het beroep gegrond;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 67,40.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.