De beoordeling
De feiten
1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.7) van het bestreden vonnis van 23 februari 2011 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten komen (met een aantal aanvullingen van het hof) op het volgende neer:
1.1 [appellante] heeft, op basis van een huurovereenkomst van 18 juli 2007, per 1 augustus 2007 van Patrimonium gehuurd de portiekwoning aan [adres].
1.2 De huurovereenkomst is tot stand gekomen door tussenkomst van Bureau Woonkans op basis van de in samenwerking met de gemeente Groningen opgestelde regels voor Huisvesting Kwetsbare Personen. [appellante] heeft in dat kader met Patrimonium en de Stichting Maatschappelijke en Juridische Dienstverlening hierna: MJD) een schriftelijke overeenkomst gesloten op grond waarvan [appellante] zich onder meer heeft verplicht begeleiding van MDJ te aanvaarden, de huur via de Groningse Kredietbank (GKB) te laten voldoen, de woning zelf te bewonen en niet geheel of gedeeltelijk in gebruik te geven aan derden, de woning schoon en opgeruimd te houden en geen overlast te geven aan omwonenden.
1.3 Vanaf september 2009 heeft Patrimonium klachten ontvangen over de wijze waarop [appellante] en haar gezinsleden de woning bewonen. De klachten hebben betrekking op geluidsoverlast en vervuiling van de woonomgeving. Een van de medeportiekbewoners voelde zich dusdanig gestoord in haar woongenot dat zij de huur heeft opgezegd en de woning heeft verlaten.
1.4 Patrimonium heeft [appellante] bij brief van 27 oktober 2009 schriftelijk in kennis gesteld van de klachten zoals Patrimonium, de regio[politie] Groningen en het Meldpunt Overlast die hadden ontvangen. Daarnaast heeft Patrimonium contact opgenomen met Bureau Woonkans. Omdat de klachten aanhielden, heeft Patrimonium op 8 februari 2010 nogmaals een ingebrekestelling aan [appellante] gezonden.
1.5 Op 18 mei 2010 heeft de casemanager van Bureau Woonkans een persoonlijk gesprek gehad met [appellante]. Daarbij is [appellante] gewezen op de ernstige consequenties van het niet naleven van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en de woonkansovereenkomst. Ook Patrimonium heeft [appellante] uitgenodigd voor een gesprek op woensdag 23 juni 2010. [appellante] is zonder bericht niet verschenen.
1.6 Vervolgens bleef Patrimonium schriftelijke klachten ontvangen van omwonenden over de overlast die onverminderd bleef voortduren.
1.7 Na het bestreden vonnis heeft Patrimonium de woning doen ontruimen.
[appellante] beschikt sedertdien niet over een stabiele verblijfplaats, maar is aangewezen op familie, vrienden, bekenden en een kamermarkt.