ECLI:NL:GHSGR:1995:AA4583

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 mei 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
92/3872
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.M. Aukes-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Wet op de loonbelasting 1964Art. 11 lid 11 Wet op de loonbelasting 1964Art. 8 lid 2 Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990Art. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering hoge reiskostenforfait zonder openbaar-vervoerverklaring

Belanghebbende reisde in 1990 wekelijks meer dan 30 km enkele reis tussen woning en werk en ontving een reiskostenvergoeding van zijn werkgever. Hij vorderde het hoge reiskostenforfait, ondanks het ontbreken van een openbaar-vervoerverklaring omdat hij geen jaarkaart bezat. De Inspecteur wees dit af en handhaafde de aanslag inkomstenbelasting.

Belanghebbende stelde dat de regeling discrimineert tussen houders van jaarkaarten en andere abonnementen, en dat de wetgever gerechtvaardigde verwachtingen heeft geschonden door geen openbaar-vervoerverklaring voor maandtrajectkaarten te verstrekken. Het Hof overwoog dat de wetgever het onderscheid op grond van controleerbaarheid en uitvoerbaarheid objectief en redelijk kon rechtvaardigen, conform eerdere arresten van de Hoge Raad.

Het Hof verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de aanslag. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd schriftelijk bevestigd na een mondelinge behandeling en pleitnota van belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt verworpen en de aanslag wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE,
achtste enkelvoudige belastingkamer.
16 mei 1995
nummer 92/3872
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren, betreffende na te noemen aanslag.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 81.427. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.
2. Loop van het geding
Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van f 75. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 24 januari 1995, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, alsmede de Inspecteur, tot haar bijstand vergezeld van A. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt.
Het Hof heeft bij mondelinge uitspraak van 7 februari 1995 de uitspraak van de Inspecteur bevestigd.
Belanghebbende heeft verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. In verband met dat verzoek is op 24 april 1995 een griffierecht betaald van f 150,-.
3. Vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:
Belanghebbende placht in het jaar 1990 tenminste eenmaal per week te reizen tussen zijn woning en zijn arbeidplaats over een enkele-reisafstand van meer dan 30 km.
Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van met een NS-kortingskaart aangeschafte week- en maandabonnementen. Ter zake van het reizen tussen zijn woning en zijn arbeidplaats heeft belanghebbende van zijn werkgever een vergoeding van f 960 ontvangen.
4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1 In geschil is de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor het hoge reiskostenforfait.
Belanghebbende beantwoordt de onder hiervoor vermelde vraag bevestigend, zij het dat hij in 1990 niet heeft gereisd op basis van de onder 1 bedoelde plaatsbewijzen (dat wil zeggen op basis van een jaarkaart), zodat aan hem geen openbaar-vervoerverklaring is afgegeven.
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor vermelde vraag ontkennend.
4.2. Belanghebbende beroept zich ter ondersteuning van de bevestigende beantwoording van de vraag op het volgende.
4.2.1 Belanghebbende stelt dat de in punt 1 vermelde regeling een discriminatie oplevert tussen houders van jaarabonnementen en houders van andere abonnementen.
4.2.2 Belanghebbende stelt tevens dat de in artikel 36 van Pro de Wet neergelegde regeling discrimineert tussen diegenen die op basis van artikel 11, lid 11, van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 8, lid 2, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 vergoedingen krijgen voor deze reizen zonder overlegging van een OV-verklaring en diegenen, die dit niet krijgen.
4.2.3 Belanghebbende stelt voorts het volgende. De Staatssecretaris van Financiën heeft toegezegd (blijkens VN 1991, blz. 2017) bij de Minister van Verkeer en Waterstaat de vraag onder de aandacht te brengen of het mogelijk is dat OV-bedrijven in de toekomst ook voor (bijvoorbeeld) maandtrajectkaarten een OV-verklaring verstrekken. Nu hij dit heeft nagelaten eist het beginsel voor behoorlijke wetgeving, zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 1992, nr. 26 974 (BNB 1993/4), dat de gerechtvaardigde verwachting, dat ook voor deze gevallen een OV-verklaring zal worden afgegeven, wordt gehonoreerd.
5. Conclusies van partijen
Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van
f 80.827.
De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.
6. Overwegingen omtrent het geschil
6.1 Voor wat betreft de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel kan bedoelde wettelijke bepaling worden getoetst aan artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna:IVBP).
6.2 Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de onderwerpelijke regeling (de Wet van 4 juli 1990 tot wijziging van de inkomstenbelasting en loonbelasting (aftopping reiskostenforfait, Stb 355) heeft de wetgever om redenen van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid ervoor gekozen het verhoogde reiskostenforfait uitsluitend toe te kennen aan degenen die een "openbaar-vervoerverklaring" kunnen overleggen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 maart 1994, nr.29.555 overwogen dat de wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat die redenen een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormen voor het gemaakte onderscheid. Onder die omstandigheid is van een door artikel 26 IVBP Pro verboden discriminatie geen sprake. Belanghebbendes inzichten omtrent de effektiviteit van de controleerbaarheid kunnen aan dit oordeel niet afdoen.
6.3 De onder 6.2 weergegeven overwegingen van de Hoge Raad zijn naar 's Hofs oordeel evenzeer van toepassing op de door belanghebbende onder 4.2.2 aan de orde gestelde regeling.
6.4 Het onder 4.2.3 vermelde arrest van de Hoge Raad heeft betrekking op het indienen van de aanvraag ter zake van de verlening van een bouwvergunning ten tijde van het toepasselijk zijn van een vrijstelling dienaangaande in de onderhavige Legesverordening. Na de aanvraag door de indiener heeft de onderhavige raad van de gemeente besloten tot wijziging van de legesverordening in dier voege, dat de daarin opgenomen vrijstelling kwam te vervallen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest overwogen dat de wetgever in het onderhavige geval gerechtvaardigde verwachtingen schond. De wijziging van de Legesverordening werd in dit geval ten aanzien van belanghebbende onverbindend geoordeeld. De Hoge Raad oordeelde tevens dat het afschaffen van een vrijstelling verschilt van bij voorbeeld het tot stand brengen van een tariefsverhoging dan wel het invoeren van een nieuwe heffing.
6.5 In het onderhavige geval is sprake van de toezegging van de Staatssecretaris om bij de Minister van Verkeer en Waterstaat de vraag onder de aandacht te brengen of het afgeven van een OV-verklaring uitgebreid kan worden tot (bijvoorbeeld) de houders van maandtrajectkaarten. In dit geval kan naar het oordeel van het Hof niet gesproken worden over het opwekken en schenden van gerechtvaardigde verwachtingen door de wetgever.
6.6 Het beroep van belanghebbende moet gezien al het vorenoverwogene worden verworpen.
7. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
8. Beslissing
Het Gerechtshof BEVESTIGT de uitspraak waarvan beroep.
Aldus vastgesteld in raadkamer op 16 mei 1995 door mr. E.M. Aukes-de Vries, raadsheer, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. A.M. van Duijvendijk.
Van Duijvendijk Aukes-De Vries
aangetekend aan partijen verzonden: 23 mei 1995
[Zie ook arrest HR nummer 31342 (red.)]