6.1. Het Hof stelt het volgende voorop. De door belanghebbende ontvangen lijfrentetermijnen behoren tot de periodieke uitkeringen die de tegenwaarde vormen van een prestatie (te weten de door de vader in verband met de verkrijging van het recht op de uitkeringen voldane koopsom ad ƒ 76.502). Die prestatie bestaat kennelijk uitsluitend uit bij de bepaling van het belastbare inkomen van de vader geheel als premies in aanmerking genomen bedragen. De zogenoemde saldomethode mist dan ook toepassing. Derhalve vormen de lijfrentetermijnen tot hun volle beloop voor belanghebbende periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 25, lid 1, aanhef en onderdeel g, (tekst 1992) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).
6.2. De in 3.5 bedoelde transactie is in beginsel aan te merken als een vervreemding van een stamrecht als bedoeld in artikel 31, lid 5, eerste volzin, (in de tot 1 januari 1992 geldende tekst) van de Wet. Bedoelde bepaling geldt evenwel ingevolge artikel 31, lid 5, tweede volzin, niet, indien de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en het verkregen stamrecht geen deel uitmaakt van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming. Naar tussen partijen niet in geschil is aan deze voorwaarden voldaan. Derhalve is terecht bij de vader belastingheffing over de waarde van het onderhavige stamrecht achterwege gebleven. Anders dan belanghebbende verdedigt speelt het bepaalde in artikel 31, lid 1, van de Wet in dat verband geen rol.
6.3. Het bepaalde in artikel 31, lid 5, tweede volzin, bewerkt in feite dat in de in die bepaling bedoelde gevallen de vervreemding van een stamrecht voor de heffing van inkomstenbelasting wordt behandeld als een in de vermogenssfeer liggende transactie. Naar 's Hofs oordeel brengt een evenwichtige en met de bedoeling van de wetgever strokende wetstoepassing mee dat de verkrijging van het stamrecht door een binnenlands belastingplichtige als vorenbedoeld (zoals in casu belanghebbende) voor de belastingheffing op gelijke wijze wordt behandeld. Dit staat dan ook eraan in de weg om in een geval als het onderhavige bij de degene die het stamrecht verkrijgt de betaalde koopprijs op de voet van artikel 35, lid 1, van de Wet in aftrek toe te laten.
6.4. In die situatie is geen verandering gekomen door de wet van 28 december 1989, Stb. 599, waarbij de in de artikelen 36, lid 9, en 38, lid 3, (tekst 1992) van de Wet bedoelde aftrekbeperking is ingevoerd. Voor de ter zake van de verkrijging van een vruchtgebruik betaalde bedragen die voor het in werking treden van eerstgenoemde wet toch al niet onder de aftrekbare kosten vielen, heeft de door die wet aangebrachte beperking van de aftrekmogelijkheid geen betekenis (vgl. HR 28 juni 1995, nr. 30281, BNB 1995/293).
6.5. Ook het bepaalde in artikel 35, lid 2, (tekst 1992) van de Wet kan belanghebbende niet baten. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de wetten van 12 december 1991, Stb 679 en 698, waarbij dit artikellid in de Wet is opgenomen, is deze bepaling niet meer dan de noodzakelijke tegenhanger van de in artikel 25, leden 3 en 8, (tekst 1992) van de Wet opgenomen regelingen omtrent de positie van de vervreemder (vgl. MvT, kamerstuk 21198, nr. 3, blz. 66-67). Nu bedoeld artikel 25, lid 3, ten aanzien van de vader toepassing mist - wat betreft het na 1991 ontvangen gedeelte van de koopsom op grond van artikel 75, lid 1, van de Wet - zou het in strijd zijn met doel en strekking van voormeld artikel 35, lid 2, bij belanghebbende wel aftrek van de tegenprestatie voor de vestiging van het vruchtgebruik toe te staan.
6.6. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden geacht.