ECLI:NL:GHSGR:1998:AA4258
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag successierecht bij vruchtgebruik en opvolging ouders
De zaak betreft een navorderingsaanslag successierecht opgelegd aan X naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder Y, die samen met haar echtgenoot X vruchtgebruik had op aandelen uit de nalatenschap van A. Het geschil draait om de uitleg van het testament waarin aan de kleinkinderen aandelen werden gelegateerd onder vruchtgebruik ten behoeve van hun respectieve ouders gezamenlijk en bij opvolging van de langstlevende.
Belanghebbenden, de kleinkinderen F en G, betwisten de navorderingsaanslag en stellen dat het vruchtgebruik slechts eenmaal geldt en niet toeneemt bij het overlijden van de eerststervende ouder. Subsidiair beroepen zij zich op het vertrouwensbeginsel omdat bij de eerste successieaanslag in 1978 het vruchtgebruik op twee levens was berekend en zij erop mochten vertrouwen dat geen verdere aanslag zou volgen.
De Inspecteur stelt dat ieder van de ouders het vruchtgebruik van de helft van het vermogen heeft verkregen en dat bij overlijden van de eerststervende ouder diens aandeel overgaat op de langstlevende, waardoor een nieuwe verkrijging ontstaat die belast is met successierecht.
Het hof volgt de Inspecteur, wijst het beroep af en bevestigt de navorderingsaanslag. Het vertrouwensbeginsel wordt niet aanvaard omdat de eerdere aanslag geen bindende standpuntbepaling van de Inspecteur vormde. Het hof acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag successierecht wegens aangroei van vruchtgebruik bij overlijden van een ouder.