ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9824

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 maart 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R9900158
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Uhlenbeck-Lagerweij
  • Simonis
  • Van Peski
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 sub a FwArt. 288 lid 2 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid en afwijzing schuldsaneringsregeling wegens frauduleus handelen

X. stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat X. niet te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van aanzienlijke schulden aan de Belastingdienst en curator.

X. was jarenlang directeur en enig aandeelhouder van een gefailleerde vennootschap binnen de Y-Groep, waar onder zijn leiding valse belastingaangiften en facturen werden opgemaakt. Hoewel hij in hoger beroep zijn eerdere verklaring niet bevestigde noch ontkende, acht het hof zijn verklaring geloofwaardig en verwerpt het betoog dat deze verklaring was bedoeld om zijn kinderen te ontlasten.

Omdat de betwiste schulden uitsluitend de vorderingen van de Belastingdienst en curator betreffen en X. niet heeft erkend in hoeverre hij deze erkent, is er geen ruimte voor schuldsanering. Het hof wijst het verzoek af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen door X.

Uitspraak

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage
Tweede civiele kamer,
heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:
X.,
(hierna te noemen: X),
wonende te P.
procureur: mr W. Taekema,
Het geding in hoger beroep
Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het hof van 4 maart 1999, heeft X. hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 24 februari 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, X. alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr J.G. Princen, advocaat te Rotterdam.
Beoordeling van het hoger beroep
Het hof is met de rechtbank, op de in het bestreden vonnis weergegeven gronden waarmee het hof zich verenigt, van oordeel dat aannemelijk is dat X. ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de in de verklaring als bedoeld in art 285 lid 1 sub a Fw Pro genoemde schulden aan de Belastingdienst ter hoogte van f 40.410.009,- en aan de curator in de faillissementen van de tot de Y-Groep behorende vennootschappen ter hoogte van f 85.000.000,- niet te goeder trouw is geweest, zodat zich de in artikel 288 lid 2 onder Pro a Fw (red: bedoeld is 'onder b') genoemde weigeringsgrond voordoet.
Naar aanleiding van hetgeen X. in hoger beroep nog heeft aangevoerd overweegt het hof , voor zover naar 's hofs oordeel van belang, nog als volgt.
X. heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, ten overstaan van de rechtbank op 24 februari 1999, verklaard dat hij jarenlang directeur en enig aandeelhouder van de gefailleerde vennootschap is geweest en dat onder zijn leiding en in zijn opdracht gedurende een aantal jaren valse belastingaangiften zijn gedaan en valselijk facturen zijn opgemaakt.
X. heeft - desgevraagd door het hof - niet betwist dat hij in eerste aanleg aldus heeft verklaard, maar heeft in hoger beroep op advies van zijn raadsman het verklaarde willen bevestigen noch ontkennen. aan het betoog van zijn raadsman dat X. deze verklaring uitsluitend zou hebben afgelegd om zijn zoon en dochter te ontlasten, zoals hij dat ook heeft gedaan tegenover de FIOD omdat toen zijn zoon en dochter in voorlopige hechtenis zaten, hecht het hof in het licht van voormelde proceshouding van X. ter zitting van het hof, geen geloof.
Het hof merkt voorts nog op dat voor zover X. de hem verweten fraude en de daarop gebaseerde vorderingen van de Belastingdienst en de curator in de faillissementen van de tot de Y-Groep behorende vennootschappen betwist, er geen plaats is voor toepassing van een schuldsaneringsregeling. Nu uitsluitend die vorderingen onderwerp uitmaken van het onderhavige verzoekschrift en X. zich er niet over heeft uitgelaten in hoeverre hij die vorderingen erkent dient dan ook daarom het verzoek te worden afgewezen.
Op grond van het voorgaande acht het hof het verzoek tot toepassing van een schuldsaneringsregeling niet toewijsbaar, zodat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd.
Beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 24 februari 1999.
Dit arrest is gewezen op 30 maart 1999 door mrs. Uhlenbeck-Lagerweij, Simonis en Van Peski, in tegenwoordigheid van de griffier.