ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9829

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 april 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R9900159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Uhlenbeck-Lagerweij
  • Aukes-de Vries
  • Gerritzen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FaillissementswetArt. 288 lid 2 onder b Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks te hoge bijstandsuitkering door verzuim

X heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 1999, waarin haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De reden voor afwijzing was dat zij een te hoge bijstandsuitkering had ontvangen over de periode van 18 januari 1996 tot en met 31 juli 1996, doordat zij niet had gemeld dat een meerderjarige persoon, Y, bij haar woonde die zelfstandig recht had op een uitkering.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf X aan dat zij niet op de hoogte was van de plicht om de inwoning van Y te melden, omdat Y minderjarig was bij binnenkomst en zij niet wist dat Y na het bereiken van de meerderjarigheid recht had op een bijstandsuitkering. Tevens had Y geen uitkering aangevraagd en droeg niet bij aan de huishoudkosten. X had Y wel aangemeld in het bevolkingsregister.

Het hof oordeelde anders dan de rechtbank en vond dat de weigeringsgrond genoemd in artikel 288 lid 2 onder Pro b van de Faillissementswet niet van toepassing was. Het hof achtte het niet aannemelijk dat X niet te goeder trouw was met betrekking tot de ontstane schuld en overige schulden. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees het de schuldsaneringsregeling alsnog toe, met verwijzing naar de rechtbank Rotterdam voor uitvoering.

Uitkomst: Het gerechtshof wijst de schuldsaneringsregeling alsnog toe en verwijst de zaak naar de rechtbank Rotterdam voor uitvoering.

Uitspraak

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage
Tweede civiele kamer,
heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:
X.,
(hierna te noemen: X),
wonende te P.
procureur: mr H.C. Grootveld.
Het geding in hoger beroep
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 maart 1999, heeft X. hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 3 maart 1999, waarbij het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Bij voormeld verzoekschrift heeft X. het hof verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, X. alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 13 april 1999, waarbij X. is verschenen, bijgestaan door mr A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse.
Beoordeling van het hoger beroep
X. erkent dat zij over de periode van 18 januari 1996 tot en met 31 juli 1996 een te hoge bijstandsuitkering heeft ontvangen, aangezien zijn niet heeft gemeld aan de gemeente P. dat gedurende deze periode een meerderjarig persoon, Y (hierna: Y), bij haar heeft ingewoond die zelfstandig recht had op een uitkering van de Sociale Dienst; op deze grond heeft de gemeente P. een bedrag van f 4006,66 van haar te vorderen.
Ter zitting van het hof geeft X. als verklaring voor haar verzuim om te voldoen aan haar informatieplicht jegens de Sociale Dienst van de gemeente P - kort gezegd - aan, dat Y. nog minderjarig was toen zij bij haar kwam wonen, dat zij niet wist dat Y. na 18 januari 1996 - de dag waarop Y. de leeftijd 18 jaar bereikte - recht had op een bijstandsuitkering, en dat zij meende dat zij niet verplicht was om de inwoning van Y. te melden, omdat laatstgenoemde over de periode van 19 januari 1996 tot en met 31 juli 1996 niet om een uitkering van de Sociale Dienst had verzocht en Y. evenmin bijdroeg in de kosten van de huishouding van X. X. heeft Y. wel aangemeld bij de gemeente opdat zij in het bevolkingsregister zou worden ingeschreven.
Het hof is in het licht van hiervoor weergegeven betoog van X, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de in artikel 288 lid 2 onder Pro b van de Faillissementswet genoemde weigeringsgrond zich te dezen niet voordoet; het hof acht het niet aannemelijk dat X. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van bovengenoemde schuld, evenmin als ten aanzien van haar overige schulden die zijn opgesomd in de Verklaring schuldsanering ex artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro, niet te goeder trouw is geweest.
Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en dat het inleidende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog dient te worden toegewezen.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit;
verwijst de zaak naar de rechtbank te Rotterdam ter uitvoering van die regeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. Uhlenbeck-Lagerweij, Aukes-de Vries en Gerritzen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.