ECLI:NL:GHSGR:2000:AB0114
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Hehemann
- Koning
- Schuering
- Rechtspraak.nl
Eigendomstoewijzing woning en betalingsverplichting na boedelscheiding in echtscheiding
In deze zaak staat de eigendom van een woning centraal die de vrouw in 1976 in de gemeenschap van goederen bracht tijdens het huwelijk met de man. In 1978 maakten partijen mondeling een boedelscheiding waarbij de woning aan de vrouw werd toegewezen en zij aan de man ƒ 20.000 zou betalen. Deze afspraak werd feitelijk niet uitgevoerd.
De vrouw kwam in hoger beroep tegen het eindvonnis van de rechtbank Dordrecht, waarin werd geoordeeld dat de overeenkomst tot toescheiding in 1978 was gesloten. Het hof oordeelde dat de mondelinge boedelscheiding rechtsgeldig was volgens artikel 1115 oud Pro BW en dat de woning sinds 1978 aan de vrouw toebehoort, ongeacht de niet-uitvoering van de betalingsverplichting.
De man stelde in incidenteel hoger beroep dat de vrouw de ƒ 20.000 moest betalen. Het hof wees deze vordering toe met wettelijke rente vanaf 7 oktober 1998, omdat de verjaring was gestuit door de vordering in reconventie. De eis om deze veroordeling als voorwaarde te verbinden aan de hoofdzaak werd afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.
Beide partijen worden veroordeeld hun eigen proceskosten te dragen. Het hof vernietigde het vonnis van 27 januari 1999 en deed in zoverre opnieuw recht door de boedelscheiding en betalingsverplichting vast te stellen.
Uitkomst: De vrouw is sinds 1978 eigenaar van de woning en moet ƒ 20.000 met wettelijke rente aan de man betalen.