ECLI:NL:GHSGR:2001:AD3434
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep kort geding
- Vrij
- Von Brucken Fock
- De Brauw
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geheimhoudingsovereenkomst tussen OM en informant versus wettelijke informatieplichten
In deze civiele zaak staat de uitleg en rechtsgeldigheid centraal van een geheimhoudingsovereenkomst tussen het Openbaar Ministerie (OM) en een informant, K. De informant vordert dat de Staat zich onthoudt van het openbaar maken van de overeenkomst en de verstrekte informatie, uit vrees voor zijn veiligheid. De rechtbank had de Staat twee bevelen opgelegd: geen mededelingen aan derden over de gesprekken en vernietiging van documenten bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD).
Het hof onderzoekt of onder 'derden' ook de Tweede Kamer en de BVD vallen en of het OM op grond van wettelijke informatieplichten toch verplicht is om informatie te verstrekken. Het hof oordeelt dat de overeenkomst niet kan afwijken van wettelijke verplichtingen, zoals artikel 22 lid 1 van Pro de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en artikel 68 van Pro de Grondwet. De geheimhoudingsplicht geldt wel binnen het OM, maar niet voor de BVD en Tweede Kamer, mits de veiligheid van K. voldoende wordt beschermd.
Het hof vernietigt daarom het tweede bevel volledig en het eerste bevel gedeeltelijk, wijst de vorderingen van K. af voor zover deze betrekking hebben op informatieverstrekking aan BVD en Tweede Kamer, en compenseert de proceskosten. De zaak benadrukt de balans tussen geheimhouding ter bescherming van een informant en de wettelijke informatieplichten van de Staat.
Uitkomst: Het hof vernietigt deels het vonnis en wijst de vorderingen af voor zover deze informatieverstrekking aan BVD en Tweede Kamer verbieden, en vernietigt het bevel tot vernietiging van documenten bij de BVD.