ECLI:NL:GHSGR:2001:AF0034

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01-159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Boer
  • Van de Klooster
  • Van Peski
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens fraude en gebrek aan goede trouw

Verzoeker X heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Rotterdam. Zij stelde dat zij onder druk van haar ex-echtgenoot handelde en dat niet alle schulden frauduleus waren.

Het hof oordeelt dat X en haar ex-echtgenoot naast de uitkering ook inkomsten uit arbeid hadden, hetgeen zij tegenover de Sociale Dienst verzwegen. De stelling dat dit onder druk gebeurde is niet aannemelijk, mede omdat X strafrechtelijk is veroordeeld voor de fraude.

Verder is onvoldoende gebleken van een positieve saneringsgezindheid van X. Het hof wijst ook het subsidiaire verzoek af om toelating voor het deel van de schulden die betrekking hebben op uitkeringsfraude, omdat de wet hiervoor geen grondslag biedt.

Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en wordt het verzoek tot schuldsanering afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat verzoeker niet wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling wegens fraude en gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage
Tweede civiele kamer
X.,
Wonende te P.,
Appellant,
Hierna te noemen: X.,
Procureur mr. F.G.E. de Vries.
Het geding
Bij verzoekschrift van 27 februari 2001 heeft X hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 21 februari 2001, waarbij het verzoek van toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Bij voormeld verzoekschrift heeft X het hof verzocht het vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2001, waarbij mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, is verschenen.
Beoordeling van het hoger beroep
1. X heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen waarbij overwegende dat zij ten aanzien van het ontstaan van een substantieel gedeelte van haar schulden niet te goeder trouw is geweest.
2. X verzoekt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro schuldsanering van een schulp ad fl. 89.492,13. Deze is echter niet volledig omdat een, ten tijde van het huwelijk door X en haar toenmalige echtgenoot, afgesloten lening van circa fl.48.000,-- niet in de verklaring staat vermeld. Van de totale schuldenlast heeft een bedrag van fl. 65.492,13 betrekking op twee vorderingen van de gemeente Rotterdam terzake van ten onrechte verstrekte uitkering in de periode van 1994 tot 1997. In 1997 is X voor de deze fraude strafrechtelijk veroordeeld.
3. Namens X is gesteld dat zij onder druk van haar toenmalige echtgenoot tegenover de Sociale Dienst heeft verzwegen dat naast een uitkering inkomsten uit arbeid werden genoten.
4. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar oordeel van het hof vast te staan dat X en haar echtgenoot naast de uitkering inkomsten van arbeid hebben genoten. Dat J dit onder druk van haar toenmalige echtgenoot heeft gedaan is niet aannemelijk geworden, temeer niet nu zij ter zake van de fraude strafrechtelijk is veroordeeld. Geoordeeld moet dan ook worden dat X ten aanzien van het ontstaan van een aanzienlijk gedeelte van haar schulden niet te goeder touw is geweest. Ook is nog onvoldoende gebleken van een positieven saneringsgezindheid bij X. Het subsidiaire betoog dat X in ieder geval in aanmerking zou moeten komen voor toelating van die welke betrekking heeft op de uitkeringsfraude wordt verworpen, nu daarvoor geen steun is te vinden in de wet.
5. Uit het voortgaande volgt dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 21 februari 2001.
Dit arrest is gewezen door mrs. De Boer, Van de Klooster en Van Peski en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2001.