ECLI:NL:GHSGR:2002:AE3610

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
136a-R-02
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Labohm
  • De Bruijn-Lückers
  • Zeven-Postma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 826 RvArt. 822 lid 1 RvArt. 1:157 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot voorlopige voorzieningen alimentatie na echtscheidingsbeschikking

De man verzocht het hof om voorlopige voorzieningen te treffen met betrekking tot de alimentatie die hij aan de vrouw moest betalen, en om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eerdere beschikking te schorsen. De vrouw diende een verweerschrift in en de zaak werd mondeling behandeld op 10 april 2002.

De feiten wezen uit dat de rechtbank eerder voorlopige voorzieningen had vastgesteld waarbij de man een alimentatiebedrag van ƒ 8.000,- per maand moest betalen. Later werd de echtscheiding uitgesproken en werd de alimentatie verhoogd naar ƒ 11.000,- per maand, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 5 februari 2002.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 826 Rv Pro de voorlopige voorzieningen hun kracht verliezen zodra de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven en voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Omdat dit het geval was, kon het verzoek tot voorlopige voorzieningen niet-ontvankelijk worden verklaard. De schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad deed hieraan niet af, en er was ook geen sprake van gewijzigde omstandigheden die een wijziging van de voorlopige voorzieningen rechtvaardigden.

Uitkomst: Het hof verklaart het verzoek tot voorlopige voorzieningen niet-ontvankelijk omdat de echtscheidingsbeschikking voor tenuitvoerlegging vatbaar was.

Uitspraak

Uitspraak : 10 april 2002
Rekestnummer : 136A-R-02
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. M. Ferwerda,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. E. Grabandt.
PROCESVERLOOP
De man heeft [in] 2002 bij het hof een verzoekschrift ingediend, strekkende tot het treffen van voorlopige voorzieningen en tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank te [x] [in] 2001, voor zover dat betrekking heeft op de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie.
De vrouw heeft op 3 april 2002 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man is bij het hof een faxbericht met bijlagen ingekomen, gedateerd 9 april 2002.
Van de zijde van de vrouw is bij het hof een brief met bijlagen ingekomen, gedateerd 8 april 2002.
Op 10 april 2002 is de zaak mondeling behandeld.
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover van belang - tussen de partijen het volgende vast.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen [in] 2000 heeft de rechtbank te [x] onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 november 2000 bepaald op ƒ 8.000,- per maand, waarbij de wijziging die genoemde bijdrage
ingevolge de wettelijke indexering over het jaar 2001 kan of zal ondergaan geheel is uitgesloten.
Bij beschikking [in] 2001 heeft de bovengenoemde rechtbank tussen de partijen, met elkaar gehuwd op 24 september 1979, de echtscheiding uitge-sproken. Bij die beschikking is onder meer, uitvoerbaar bij voorraad en met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op ƒ 11.000,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
De man is van de beschikking [in] 2001, die op 5 februari 2002 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, in hoger beroep gekomen. Deze procedure is bij het hof aanhangig onder rekestnummer 1054-R-01.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK
1. De man verzoekt, bij wege van voorlopige voorzieningen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie te bepalen op ƒ 4.835,-
(€ 2.194,03) per maand, althans te bepalen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren. Voorts verzoekt de man de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking [in] 2001, voor zover dat betrekking heeft op de alimentatie ten behoeve van de vrouw, te schorsen. De procureur van de man heeft, desgevraagd ter zitting, medegedeeld dat het petitum van het verzoek aldus moet worden gelezen dat primair voorlopige voorzieningen worden verzocht en subsidiair schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking [in] 2001. Gelet hierop zal het hof twee beschikkingen geven. De beschikking die de voorlopige voorzieningen betreft krijgt rekestnummer 136A-R-02 en de beschikking die het schorsingsverzoek betreft rekestnummer 136B-R-02.
2. Volgens het bepaalde in artikel 826 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verliezen voorlopige voorzieningen hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met dien verstande dat de voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 822, eerste lid, onderdeel e, haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 BW Pro, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt.
3. Vast staat dat de beschikking, waarbij tussen de partijen de echtscheiding is uitgesproken, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, nu deze - behoudens ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht - uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en op 5 februari 2002 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4. Het hof is van oordeel dat de bij beschikking [in] 2000 vastgestelde voorlopige voorzieningen, gelet op het onder 3 overwogene en het bepaalde in 821 jo. artikel 826 lid 1 Rv Pro., hun kracht op 5 februari 2002 hebben verloren. Om die reden kunnen er geen voorlopige voorzieningen meer gevraagd worden en dient de man in zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen niet ontvankelijk te worden verklaard. Dat bij beschikking d.d. heden de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking [in] 2001 is geschorst voor de duur van het geding in hoger beroep, doet aan het vorenstaande niet af, omdat er op het moment van indiening van het verzoek tot voorlopige voorzieningen een voor tenuitvoerlegging vatbare beschikking lag. Door de vorengenoemde schorsing herleeft de beschikking voorlopige voorzieningen [in] 2000. Ten overvloede merkt het hof op dat het verzoek tot voorlopige voorzieningen evenmin aangemerkt had kunnen worden als een wijzigingsverzoek, nu niet gesteld noch gebleken is dat de omstandigheden na de beschikking voorlopige voorzieningen [in] 2000 zodanig zijn gewijzigd dat deze niet in stand zou kunnen blijven.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, De Bruijn-Lückers en Zeven-Postma, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter terecht-zitting van 10 april 2002.