ECLI:NL:GHSGR:2002:AE8539

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
14 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
197-2-H-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Pannekoek-Dubois
  • Van den Wildenberg
  • Labohm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 lid 2 Boek 1 BW Nederlandse AntillenArt. 150 lid 3 Boek 1 BW Nederlandse Antillen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak echtscheiding op verzoek vrouw ondanks verzet man wegens wangedrag

In deze zaak beoordeelt het Gerechtshof 's-Gravenhage het hoger beroep van een vrouw tegen haar echtgenoot inzake het verzoek tot echtscheiding onder Nederlands-Antilliaans recht.

De vrouw verzoekt om echtscheiding, terwijl de man zich hiertegen verzet omdat hij hoopt op terugkeer van de vrouw. Volgens art. 150 lid 2 Boek Pro 1 BW van de Nederlandse Antillen kan echtscheiding niet tegen de wil van een echtgenoot worden uitgesproken indien er minderjarige kinderen zijn, tenzij de echtgenoten minimaal drie jaar duurzaam gescheiden leven. De partijen leven sinds maart/april 2000 duurzaam gescheiden, waardoor de termijn van drie jaar nog niet is verstreken.

De vrouw stelt dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag zoals bedoeld in art. 150 lid 3 Boek Pro 1 BW, waaronder mishandeling en bedreiging, en verzoekt op die grond de termijn van drie jaar te bekorten. De man weerspreekt deze stelling niet.

Het hof oordeelt dat het verzoek van de vrouw om de termijn te bekorten en de echtscheiding uit te spreken niet voldoende is weersproken en wijst het verzoek toe. De echtscheiding wordt uitgesproken.

Uitkomst: Het hof spreekt de echtscheiding uit en bekort de wettelijke termijn van drie jaar duurzame scheiding wegens wangedrag van de man.

Uitspraak

Uitspraak : 14 augustus 2002
Rekestnummer : 197-H-01
Rekestnr. rechtbank : 00-4140
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellante],
wonende te [X], Nederlandse Antillen,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr.J.W. Wladimiroff-Nater,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [X], Nederlandse Antillen,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. D. Regts.
HET PROCESVERLOOP
Het hof verwijst voor de loop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 26 september 2001, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Nadien zijn de volgende stukken ingekomen:
- het standpunt van de man, van 12 oktober 2001;
- het standpunt van de vrouw, bij faxbericht van 3 november 2001;
- een reactie van de man op het standpunt van de vrouw, bij faxbericht van 15 april 2002.
VERDERE BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
1. In hoger beroep dient thans naar Nederlands-Antilliaans recht het verzoek van de vrouw tot het uitspreken van de echtscheiding tussen haar en de man te worden beoordeeld.
2. Volgens het bepaalde in lid 2 van art. 150 van Pro boek 1 BW van de Nederlandse Antillen, kan, indien uit het huwelijk een of meer nog minderjarige kinderen zijn geboren, echtscheiding op verzoek van een der echtgenoten niet worden uitgesproken tegen de wil van de andere echtgenoot, tenzij de echtgenoten ten minste drie jaren onafgebroken duurzaam gescheiden hebben geleefd. De partijen hebben blijkens de stukken sedert maart/april 2000 duurzaam gescheiden geleefd, zodat de termijn van drie jaren nog niet is verstreken.
3. De man heeft als zijn standpunt te kennen gegeven dat hij zich verzet tegen de door de vrouw gewenste echtscheiding, omdat hij nog steeds de hoop heeft dat de vrouw bij hem zal terugkeren.
4. De vrouw handhaaft haar verzoek tot echtscheiding, waarbij zij in haar schriftelijke reactie van 3 november 2001 naar voren heeft gebracht dat de man zich naar haar mening heeft schuldig gemaakt aan wangedrag zoals bedoeld in lid 3 van het toepasselijke art. 150 Boek Pro 1 BW van de Nederlandse Antillen. In deze schriftelijke reactie heeft zij onder meer gesteld dat zij is mishandeld en bedreigd door de man. Zij verzoekt op grond daarvan de termijn van drie jaren te bekorten en de echtscheiding uit te spreken.
5. De man heeft de stelling van de vrouw, dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan wangedrag zoals bedoeld in art. 150 lid 3 Boek Pro 1 BW, en het daarop gebaseerde verzoek de termijn van drie jaren te bekorten, niet weersproken.
6. Gelet op het vorenstaande is het verzoek van de vrouw, de termijn van drie jaren op grond van art. 150 lid 3 Boek Pro 1 BW te bekorten en de echtscheiding uit te spreken, als onvoldoende gemotiveerd weersproken voor toewijzing vatbaar. Het hof zal dan ook de echtscheiding tussen de partijen uitspreken.
BESLISSING
Het hof:
spreekt tussen de partijen de echtscheiding uit.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Van den Wildenberg en Labohm, bijge-staan door mr. Verkuil als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 14 augustus 2002.