ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0887

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
213-H-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • de Bruijn-Lückers
  • Labohm
  • Zeven-Postma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling vader met kind na weigering tot bemiddeling

In deze zaak stond de omgang tussen de vader en het kind centraal. De vader had een verzoek ingediend voor een omgangsregeling waarbij hij het kind een weekend per drie weken en de helft van de schoolvakanties wilde zien. Het hof had de zaak aangehouden om bemiddeling te laten plaatsvinden, maar de vader werkte niet loyaal mee aan deze bemiddeling.

De moeder werkte wel mee, betaalde het voorschot voor het deskundigenonderzoek en ging in op uitnodigingen voor bemiddelingsgesprekken. De vader beriep zich op werkdruk en stelde dat de moeder onwillig was, maar kon dit niet aantonen. De bemiddelaar gaf aan geen contra-indicaties te zien bij de moeder en kon de bemiddeling niet starten vanwege de weigering van de vader.

Het hof oordeelde dat de vader zijn werk boven de belangen van het kind stelde en vernietigde de eerdere beschikking. Vervolgens stelde het hof een omgangsregeling vast waarbij de vader het kind eenmaal per veertien dagen op zondag van 10.00 tot 19.30 uur mag zien, zonder overnachtingen of vakanties. Partijen dienen het halen en brengen onderling te regelen, rekening houdend met het feit dat de vader inmiddels in Frankrijk woont.

Uitkomst: Het hof stelt een omgangsregeling vast waarbij de vader het kind eenmaal per veertien dagen op zondag mag zien van 10.00 tot 19.30 uur.

Uitspraak

Uitspraak : 6 november 2002
Rekestnummer : 213-H-01
Rekestnr. rechtbank : 00-5047
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellante],
wonende te [X]
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. A.N.H.M. Spruit,
tegen
[geïntimeerde]L
eerst wonende te [Y],
thans wonende te Frankrijk,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
VERDER PROCESVERLOOP
Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 8 mei 2002, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is onder meer de behandeling van de zaak aangehouden tot 31 augustus 2002 pro forma, teneinde een bemiddeling door mr. Van Leuven te laten plaatsvinden, die de opdracht had gekregen bemiddelingsgesprekken met de partijen te voeren, teneinde de communicatie tussen hen over aangelegenheden betreffende [het kind] weer op gang te brengen en tot afspraken te komen omtrent de omgang tussen de vader en [het kind].
Van de zijde van de vader is een faxbericht met bijlage ingekomen, gedateerd 22 juli 2002, en
een brief met bijlage, gedateerd 9 september 2002.
Van de zijde van de moeder is een faxbericht met bijlage ingekomen, gedateerd 16 augustus 2002, een brief met bijlagen, gedateerd 17 september 2002 en een faxbericht met bijlagen, gedateerd 24 september 2002.
Nadat, gelet op de brief van mr. Van Leuven van 17 september 2002, vast is komen te staan dat een bemiddeling tussen de partijen niet van de grond komt, heeft het hof besloten en aan de partijen medegedeeld dat de zaak op de stukken wordt afgedaan.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. Hoewel de vader bij faxbericht van 22 juli 2002 heeft medegedeeld mee te zullen werken aan de bemiddeling heeft zijn advocaat, mr. L. Laus, bij brief van 9 september 2002 aan het hof medegedeeld dat de vader op grond van een aantal gepasseerde zaken niet de bemiddeling in gaat. Bij brief van 17 september 2002 heeft mr. Van Leuven aan het hof medegedeeld dat hij, na kennisneming van de brief van mr. Laus, niet de bemiddeling kan aanvangen.
2. Ter zitting van 10 april 2002 heeft het hof de partijen voorgehouden dat het niet loyaal meewerken aan de bemiddeling consequenties zal hebben voor de door het hof te nemen beslissing, nu het in het belang van [het kind] is dat de partijen leren communiceren over de omgang. Uit de overgelegde stukken blijkt dat mr. Van Leuven de partijen bij brief van 13 augustus 2002 had uitgenodigd voor een eerste bemiddelingsgesprek op 7 september 2002.
De moeder is op die uitnodiging ingegaan. De vader is, zonder afzegging, niet op de uitnodiging ingegaan, terwijl hij zijn advocaat reeds bij email-bericht van 6 september 2002 heeft medegedeeld dat hij vanwege diverse omstandigheden niet aan de eis van het hof kan voldoen. De vader beroept zich met name op de volledige onwil van de moeder om aan een omgang mee te werken en op het feit dat hij vanwege een belangrijk project op zijn werk een werkweek van 80 à 90 uur heeft, waardoor hij onmogelijk, zoals door hem wordt gesteld, iedere week bij de bemiddelaar kan komen opdraven. De moeder heeft de door de vader gestelde onwil betwist.
3. Het hof kan - mede gelet op het bovenstaande - niet anders concluderen dan dat de vader niet aan een bemiddeling mee heeft willen werken. De vader laat zijn werk prevaleren boven de pogingen tot totstandkoming van een goede omgangsregeling, waardoor hij naar het oordeel van het hof geheel voorbij gaat aan de belangen van [het kind]. Bovendien heeft hij de gestelde onwil van de moeder niet aangetoond. Juist de moeder heeft, in tegenstelling tot de vader en ondanks zijn toezegging daartoe, als enige het in de beschikking van 8 mei 2002 verzochte voorschot ten behoeve van het deskundigenonderzoek voldaan. Eveneens is zij als enige op de uitnodiging van mr. Van Leuven voor een eerste bemiddelingsgesprek ingegaan. Bovendien is uit de brief van mr. Van Leuven van 9 september 2002 gebleken dat de moeder op 7 september 2002 in een kort gesprek heeft aangegeven dat er van haar kant behoefte bestaat om het verleden een goede plaats te geven en vervolgens een verbeterd traject voor de toekomst in te gaan. Mr. Van Leuven heeft medegedeeld dat hij aan de zijde van de moeder niet op contra-indicaties is gestuit voor zijn methode van aanpak. Gelet op de weigerachtige houding van de vader om een bemiddelingstraject in te gaan kan het hof niet anders de beschikking van de rechtbank, waarbij het inleidend verzoek van de vader, om tussen hem en [het kind] een omgangsregeling vast te stellen gedurende een aaneengesloten weekend per drie weken alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, is toegewezen, te vernietigen. Nu de moeder bij faxbericht van 28 september 2001 heeft verzocht een omgangsregeling vast te stellen, zoals ter terechtzitting van 13 juni 2001 tussen partijen overeengekomen, inhoudende dat de vader [het kind] eenmaal per 14 dagen op zondag om 10.00 uur komt ophalen en dat zij om 19.30 uur weer door de moeder wordt opgehaald, zonder dat sprake is van (gedwongen) overnachtingen, dan wel vakanties, zal het hof dienovereenkomstig beslissen. Nu de vader inmiddels in Frankrijk woont, dienen partijen in onderling overleg het halen en brengen te regelen, waarbij het hof ervan uitgaat dat de omgangsregeling in Nederland zal plaatsvinden.
4. Het bovenstaande brengt met zich mee dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader omgang mag hebben met [het kind] éénmaal per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 19.30 uur;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. de Bruijn-Lückers, Labohm en Zeven-Postma, bijge-staan door Suderée als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 6 november 2002.
De griffier is buiten staat deze beschikking
mede te ondertekenen.