ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0920

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2200099901
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Oosterhof
  • Van Boven
  • Zandbergen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam inzake meervoudige diefstal en afpersing met geweld

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage op 20 februari 2002 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren voor meerdere feiten van diefstal, afpersing en poging tot diefstal, waarbij geweld en bedreiging met geweld tegen verschillende slachtoffers een centrale rol speelden. De tenlastelegging omvatte onder andere het wegnemen van mobiele telefoons, geldbedragen en voertuigen, waarbij de slachtoffers werden bedreigd met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Het hof oordeelde dat de verdachte, samen met mededaders, in een korte periode een reeks gewelddadige overvallen had gepleegd, waarbij de slachtoffers ernstig in hun vrijheid waren beperkt en psychisch letsel hadden opgelopen. Het hof verwierp de stelling van de verdediging dat de verdachte niet verantwoordelijk was voor het geweld dat door zijn mededader was gepleegd. De verdachte werd schuldig bevonden aan de tenlastegelegde feiten en de gevangenisstraf werd bevestigd. Daarnaast werden vorderingen van benadeelde partijen tot schadevergoeding toegewezen, waarbij het hof de hoogte van de vorderingen in redelijkheid en billijkheid beoordeelde. De uitspraak benadrukt de ernst van de gepleegde feiten en de impact op de slachtoffers, en het hof legde de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, rekening houdend met zijn eerdere veroordelingen en de noodzaak van preventie.

Uitspraak

parketnummer 1011004200
datum uitspraak 20 februari 2002
tegenspraak
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken
ARREST
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 26 maart 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek
op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 16 januari 2002 en 6 februari 2002.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.
Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 10 tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 11 tenlastegelegde veroor-deeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissingen om-trent de inbeslaggenomen goederen en de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep, met oplegging van verplichtingen tot betaling aan de staat ten behoeve van de slachtoffers.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld, dat het hoger beroep niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 10 tenlastegelegde.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 11 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.
BIJLAGE
1. dat hij in de periode van 17 november 2000 tot en met 18 november 2000 te Spijkenisse en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een autoradio en een zakmes, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen met geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer fl. 25,-) en een bankpas toebehorende aan die [slachtoffer 1] welk geweld en bedreiging met geweld bestonden uit het
- uit de handen van die [slachtoffer 1] slaan van die mobiele telefoon en
- plaatsen en houden van een mes tegen de zij van die [slachtoffer 1] en
- het plaatsen en houden van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de nek van die [slachtoffer 1] en
- aan die [slachtoffer 1] toevoegen van de woorden "Achteruit, snel, snel, achteruit, nu, nu" en "Geld, geld pasjes, ik schiet je dood" en "Geef al je passen" en "Beter luisteren, want anders hang je" en "Je maakt mij helemaal pissig en straks rijden we naar een bos toe en dan schiet ik je helemaal dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- die [slachtoffer 1] dwingen uit zijn auto te stappen en plaats te laten nemen in de kofferbak van die auto en (vervolgens) (af)sluiten van die kofferbak;
2. dat hij in de periode van 15 november 2000 tot en met 18 november 2000 te Rotterdam en/of Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander een personenauto (merk Hyundai, type Excel) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wisten dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof;
3. dat hij in de periode van 19 november 2000 tot en met 20 november 2000 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer fl. 110,-) en een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en bedreiging met geweld bestonden uit het
- die [slachtoffer 2] tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en
- plaatsen en duwen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de nek van die [slachtoffer 2] en
- aan die [slachtoffer 2] toevoegen van de woorden "Rijden, rijden, rijden" en "Voor je kijken" en "Geen geintjes want je gaat mee" en "Je blijft een kwartier liggen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- die [slachtoffer 2] dwingen plaats te nemen in de kofferbak van haar auto en (vervolgens) (af)sluiten van die kofferbak;
4. dat hij in de periode van 20 november 2000 tot en met 21 november 2000 te Barendrecht en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen met geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], heeft gedwongen tot de afgifte van portemonnees en een sleutelbos en een autosleutel en bankpas(sen) toebehorende aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] welk geweld en bedreiging met geweld bestonden uit het
- die [slachtoffer 3] van achteren vastpakken en
- drukken van een mes, tegen de keel van die [slachtoffer 3] en
- tonen aan en richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 3] en
- die [slachtoffer 3] in zijn auto duwen en
- aan die [slachtoffer 3] mededelen dat hij zijn portemonnee moest afgeven en dat hij moest doen wat er gezegd werd en dat hij wel de goede pincodes moest opgeven anders zouden ze zijn vrouw laten gillen en dat hij geen grappen moest maken en dat hij mee moest werken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- die [slachtoffer 3] dwingen plaats te nemen in de kofferbak van zijn auto en (vervolgens) (af)sluiten van die kofferbak en
- naar beneden duwen van het hoofd van die [slachtoffer 4] en
- aan die [slachtoffer 4] toevoegen van de woorden "Hier die telefoon. Waar zijn de sleutels", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- aan die [slachtoffer 4] mededelen dat zij haar zakken leeg moest maken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
5. dat hij in de periode van 24 november 2000 tot en met 25 november 2000 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard en/of Barendrecht en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer fl. 125,-) en een mapje met creditcard(s) en een bankpas en een paspoort en een rijbewijs en een mobiele telefoon en huissleutel(s) en een leren tas (met inhoud) en een plastic tas (met inhoud) en een auto (Toyota Paseo), toebehorende aan [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
en
met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door met geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van autosleutel(s) toebehorende aan die [slachtoffer 5], welk geweld en bedreiging met geweld bestond(en) uit het
- (met kracht) terug in de auto duwen van die [slachtoffer 5] en
- tegen het gezicht van die [slachtoffer 5] slaan en/of stompen en
- aan de haren van die [slachtoffer 5] trekken en
- tonen van een mes aan die [slachtoffer 5] en
- steken met een mes in het been van die [slachtoffer 5] en
- in een been van die [slachtoffer 5] bijten en
- aan die [slachtoffer 5] mededelen dat zij haar mond moest houden en dat zij als zij dat niet zou doen zou worden gestoken,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- aan die [slachtoffer 5] toevoegen van de woorden "Jij gaat nu met mij meewerken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- die [slachtoffer 5] dwingen uit haar auto te stappen en plaats te nemen in de kofferbak van die auto en (vervolgens) (af)sluiten van die kofferbak en
- met tape de handen en benen en voeten van die [slachtoffer 5] samenbinden/vastbinden en de mond van die [slachtoffer 5] met tape afplakken en
- die [slachtoffer 5] met tape aan een struik vastbinden;
6. dat hij in de periode van 27 november 2000 tot en met 28 november 2000 te Capelle aan den IJssel en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,
met het oogmerk om zich en (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door met geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer fl. 400,-) en een bankpas toebehorende aan die [slachtoffer 6], welk geweld en bedreiging met geweld bestonden uit het
- die [slachtoffer 6] (met kracht) terug in haar auto duwen en
-het hoofd van die [slachtoffer 6] met kracht tegen haar auto slaan en/of duwen en
- aan die [slachtoffer 6] toevoegen van de woorden "Werk mee en gil niet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- aan die [slachtoffer 6] mededelen dat zij niet mocht kijken en dat als zij mee zou werken er niets met haar zou gebeuren,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
tengevolge waarvan die [slachtoffer 6] zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken wervel) heeft bekomen;
7. dat hij op 27 november 2000 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het voornemen om
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (een) goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken,
- onverhoeds portieren van de auto van die [slachtoffer 7] heeft open getrokken en in die auto heeft plaatsgenomen en
- aan die [slachtoffer 7] heeft getrokken en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de slaap van die [slachtoffer 7] heeft gedrukt en
- aan die [slachtoffer 7] de woorden heeft toegevoegd "Rijden rijden" en "Niet doen niet doen, anders schiet ik", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- aan [slachtoffer 8] de woorden heeft toegevoegd "Wegwezen, ik ga schieten" en/of "Ik ga schieten, ik wil wegkomen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
8. dat hij op 30 november 2000 te Hellevoetsluis, tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het voornemen om
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (een) goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 9], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
- onverhoeds een portier van de auto van die [slachtoffer 9] heeft open getrokken en in die auto heeft plaatsgenomen en
- die [slachtoffer 9] meermalen tegen het hoofd/gezicht heeft geslagen en
- die [slachtoffer 9] heeft gedwongen plaats te nemen op de achterbank van haar auto en
- aan die [slachtoffer 9] de woorden heeft toegevoegd "Ga zitten, hou je mond en hou je stil", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
9. dat hij op 28 november 2000 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het voornemen om
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen (een) goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 10], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,
- de auto, waarin die [slachtoffer 10] zich toen aldaar bevond, heeft klemgereden en
- (vervolgens) naar de auto van die [slachtoffer 10] is gerend en
- heeft getracht een portier van de auto van die [slachtoffer 10] te openen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
11. dat hij in de periode van 17 november 2000 tot en met 30 november 2000 te Rotterdam en/of Barendrecht, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit hierna te noemen betaalautomaten heeft weggenomen de hierna te noemen geldbedragen, toebehorende aan de hierna te noemen personen, te weten:
- uit een betaalautomaat gelegen aan/nabij het Ganzerikplein een (totaal) bedrag van fl. 4000,00, toebehorende aan [slachtoffer 2] en
- uit een betaalautomaat gelegen aan/nabij de Binnenlandsebaan een (totaal) bedrag van fl. 2875,00, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en
- uit een betaalautomaat gelegen aan/nabij de Binnenlandsebaan een (totaal) bedrag van fl. 2000,00, toebehorende aan [slachtoffer 5] en
- uit een betaalautomaat gelegen aan/nabij de Rijnwaterstraat een (totaal) bedrag van fl. 4000,00 toebehorende aan [slachtoffer 6] en
- uit een betaalautomaat gelegen aan/nabij het winkelcentrum Keizerswaard een (totaal) bedrag van fl. 2.500,00 toebehorende aan [slachtoffer 1],
waarbij verdachte of zijn mededader telkens het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (telkens) een gestolen betaalpas in de hiervoor genoemde betaalautomaten in te brengen en de aan de rechtmatige houder van die betaalpas opgegeven (geheime) pincode in te toetsen.
Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Nadere overweging ten aanzien het onder 5 bewezen-verklaarde
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte terzake van het medeplegen van de onder 5, tweede tot en met zevende gedachtenstreepje, tenlastegelegde geweldshandelingen dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het opzet van de verdachte niet gericht was op de, feitelijk door diens mededader [medeverdachte] ten opzichte van het slachtoffer [slachtoffer 5] gepleegde geweldshandelingen, doch slechts op de bedreiging met geweld, omdat die [medeverdachte] bij de voorgaande feiten ook geen fysiek geweld had gebruikt en de verdachte er derhalve bij het plegen van dit feit vanuit ging dat die [medeverdachte] net zoals bij de voorgaande feiten, niet daadwerkelijk tot het plegen van geweld tegen het slachtoffer over zou gaan.
Het hof verwerpt deze stelling van de raadsman. Immers, de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij de aan het feit 5 voorafgaande feiten telkens met zijn mededader [medeverdachte] heeft begaan volgens een vooropgezet plan, waartoe behoorde dat de slachtoffers telkens met een mes en/of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werden bedreigd en waarbij, onder andere door de onder feit 4 bedoelde slachtoffers te duwen, het plegen van enig fysiek geweld al niet werd geschuwd.
Gelet op het voorgaande en op de aard van de reeds gepleegde feiten had de verdachte bij de nog te plegen feiten rekening moeten houden met de aanmerkelijke kans dat niet ieder slachtoffer uitsluitend door bedreiging met geweld aan de eisen van verdachte en zijn mededader zou voldoen en zijn mededader tot het plegen van zwaardere geweldshandelingen, zoals tenlastegelegd onder 5, gedachtenstreepje 2 tot en met 7, zou overgaan.
Daar komt overigens nog bij dat de verdachte zich ook na bedoelde gewelddadigheden niet van het gebeuren heeft gedistantieerd maar integendeel samen met zijn mededader het slachtoffer nog heeft 'ingetaped'.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededader daadwerkelijk de daar bedoelde geweldshandelingen zou plegen, zodat ook het opzet van de verdachte, in de vorm van voorwaardelijk opzet, was gericht op het plegen van die geweldshandelingen.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 11 bewezenverklaarde levert op:
1, 4 en 5:
De voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, hetzij aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
2:
Opzetheling;
3: Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, hetzij aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
6: Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
7: Poging tot diefstal, voorafgegaan en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deel-nemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
8 en 9: Poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
11: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal mr. Wesselink heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de inbeslag-genomen goederen, alsmede het opleggen van de verplich-tingen tot betaling van bedragen aan de staat ten behoeve van de slachtoffers, zoals door de eerste rechter is bepaald.
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft hoofdzakelijk samen met één mededader, en in één geval met twee mededaders, in een periode van ongeveer twee weken een groot aantal berovingen en pogingen daartoe gepleegd, waarbij de slachtoffers van die feiten zijn geconfronteerd met grof geweld en zeer ernstige bedreigingen, waaronder het tonen van een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De slachtoffers zijn hierbij gedwongen hun eigendommen af te staan of te laten afnemen. Bij de berovingen zijn de slachtoffers enige tijd van hun vrijheid beroofd. In de gevallen waarin de slachtoffers hun pinpas was afgenomen werden zij ook gedwongen de bijbehorende pincode te geven waardoor de verdachte en zijn mededader aanzienlijke geldbedragen van de rekeningen van hun slachtoffers konden opnemen. Dat de verdachte en diens mededader er bij het plegen van de feiten niet voor zijn terugge-deinsd om zeer grof geweld te gebruiken teneinde hun doel te bereiken mag blijken uit de omstandigheid dat één van de slachtoffers door het op haar toegepaste geweld een gebroken wervel heeft opgelopen, en een ander een bijtwond in het been.
Bovendien zijn enkele slachtoffers in de kofferbak van hun eigen auto opgesloten nadat zij in hun auto door de verdachte en zijn mededader waren overvallen. Één van de slachtoffers is zelfs 'ingetaped' achtergelaten.
Deze feiten zijn door de slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren en te verwachten valt dat zij nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen de verdachte en zijn mededader hen hebben aangedaan.
Niet alleen de aard en de ernst van de gepleegde feiten, maar ook de wijze waarop die feiten zijn gepleegd, heeft de rechtsorde ernstig geschokt. Dergelijke feiten voeden ook bij uitstek gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documen-tatieregister, in het verleden -ondanks zijn jeugdige leeftijd- al meerdere malen is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, onder meer tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Tevens heeft het hof acht geslagen op het rapport van dr. [naam], psychiater, d.d. 15 november 2001 betreffende de verdachte, alsmede op het rapport van [naam], forensisch psychiater, d.d. 10 januari 2001, betreffende de verdachte, uit welke rapporten, in onderling verband bezien, moet worden afgeleid dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat, mede uit het oogpunt van generale en speciale preventie, op de onderhavige, zeer ernstige feiten, niettegenstaande de nog jeugdige leeftijd van de verdachte, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door eerste rechter is opgelegd en thans in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof acht die straf passend en geboden.
Beslag
De inbeslaggenomen personenauto's, te weten een Honda Civic, kleur zwart, kenteken [AA-BB-00], en een Ford Escort, kleur rood, kenteken [AA-00-BB], zullen worden verbeurdverklaard, aangezien met behulp van de aan de verdachte toebehorende Honda Civic onder andere de onder 5 en 11 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan en met behulp van de aan een ander dan de verdachte toebe-horende Ford Escort het onder 7 bewezenverklaarde straf-bare feit is begaan en die ander bekend was met het gebruik van die Ford Escort in verband met dat strafbare feit.
Ten aanzien van de verbeurdverklaring heeft het hof gelet op de draagkracht van de verdachte.
Vorderingen tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces hebben zich de navolgende benadeelde partijen gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten, te weten:
Terzake van feit 1:
[naam] tot een bedrag van f. 9.000,-, thans een bedrag van € 4084,02, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
Terzake van feit 2:
[naam] tot een bedrag van f. 1.537,-, thans een bedrag van € 697,46, als vergoeding van geleden materiele schade;
Terzake van feit 3:
[naam] tot een bedrag van f. 24,-, thans een bedrag € 10,89, als vergoeding van geleden materiele schade, en een bedrag van f. 7.500,-, thans een bedrag van € 3.403,35, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële s[naam]e va[naam] gezamenlijk voor een bedrag van f. 6.470,26, thans een bedrag van € 2.936,08, als vergoeding van geleden materiele schade, en een bedrag van f. 10.000,- , thans een bedrag van € 4.537,80, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
Terzake van feit 5:
[naam] tot een bedrag van f. 2.356, thans een bedrag van € 1.069,11, als vergoeding van geleden materiele schade, en een bedrag van f. 6.000,-, thans een bedrag van € 2.722,68, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
terzake van feit 6:
[naam] tot een bedrag van f. 564,75, thans een bedrag van € 256,27, als vergoeding van geleden materiele schade, en een bedrag van f. 7.500,-, thans een bedrag van € 3.403,35, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
Terzake van feit 8:
[naam] tot een bedrag van f. 300,-, thans een bedrag van € 136,11, als vergoeding van geleden materiele schade, en een bedrag van f. 6.000,-, thans een bedrag van € 2722,68, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade.
In hoger beroep zijn deze vorderingen wederom aan de orde als volgt:
[naam] terzake van feit 1 tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van f. 9.000,-, thans een bedrag van
€ 4084,02, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
[naam] terzake van feit 2 tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag van f. 1.537,-, thans een bedrag van
€ 697,46, als vergoeding van geleden materiele schade;
[naam] terzake van feit 3 tot de in eerste aanleg gevorderde bedragen van f. 24,-, thans een bedrag van € 10,89, als vergoeding van geleden materiele schade, en f. 7.500,-, thans een bedrag € 3.403,35, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
[naam] terzake van feit 4 tot de in eerste aanleg aan hem toegewezen bedragen van f. 3.920,26, thans een bedrag van € 1.778,94, als vergoeding van geleden materiele schade, en f. 5.000,- , thans een bedrag van
€ 2.268,90, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
[naam] terzake van feit 4 tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van f. 5.000,- , thans een bedrag van € 2.268,90, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
[naam] terzake van feit 5 tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van f. 6.000,-, thans een bedrag van
€ 2.722,68, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
[naam] terzake van feit 6 tot de in eerste aanleg toegewezen bedragen van f. 564,75, thans een bedrag van
€ 256,27,als vergoeding van geleden materiele schade, en f. 7.500,-, thans een bedrag van € 3.403,35, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade;
[naam] terzake van feit 8 tot de in eerste aanleg toegewezen bedragen van f. 300,-, thans een bedrag van
€ 136,11, als vergoeding van geleden materiele schade, en f. 6.000,-, thans een bedrag van € 2.722,68, als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade.
De verdachte heeft zich ten aanzien van deze vorderingen op het standpunt gesteld dat de vorderingen en de hoogte daarvan niet worden betwist voorzover die door de eerste rechter zijn toegewezen, met uitzondering van de hoogte van de vordering van [naam] terzake van feit 5.
Het hof acht de vordering van de benadeelde partij [naam] terzake van feit 1 in redelijkheid en billijk-heid toewijsbaar tot een bedrag van € 2.722,68 als voorschot op een vergoeding van geleden immateriële schade.
Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij [naam] voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk is in die vordering en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de door de benadeelde partij [naam] gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde.
De benadeelde partij [naam] dient derhalve niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding te worden verklaard.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij [naam] terzake van het onder 3 bewezenverklaarde feit materiele schade heeft gelden tot het gevorderde bedrag van € 10,89, zodat die vordering in zoverre kan worden toegewezen.
Voorts acht het hof het door de benadeelde partij [naam] gevorderde voorschot op een vergoeding van de als gevolg van feit 3 geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 2.722,68.
Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij [naam] voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk is in die vordering en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij [naam] terzake van het onder 4 bewezenverklaarde feit materiele schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 1.778,94, zodat die vordering in zoverre kan worden toegewezen.
Voorts acht het hof het door de benadeelde partij [naam] gevorderde voorschot op een vergoeding van de als gevolg van feit 4 geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 2.268,90.
Het hof acht het door de benadeelde partij [naam] gevorderde voorschot op een vergoeding van de als gevolg van feit 4 geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 2.268,90.
Het hof acht het door de benadeelde partij [naam] gevorderde voorschot op een vergoeding van de als gevolg van feit 5 geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 2.722,68, zijnde deze vordering zijdens de verdachte ook onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij [naam] terzake van het onder 6 bewezenverklaarde feit materiele schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 256,27, zodat die vordering in zoverre kan worden toegewezen.
Voorts acht het hof het door de benadeelde partij [naam] gevorderde voorschot op een vergoeding van de als gevolg van feit 6 geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 3.403,35.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij [naam] terzake van het onder 8 bewezenverklaarde feit materiele schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 136,11, zodat die vordering in zoverre kan worden toegewezen.
Voorts acht het hof het door de benadeelde partij [naam] gevorderde voorschot op een vergoeding van de als gevolg van feit 8 geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 2.722,68.
Het voorgaande brengt mee, dat de benadeelde partij [naam] dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil, en dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de overige benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof telkens begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die telkens door de strafbare feiten is toegebracht, ziet het hof aanleiding aan de verdachte telkens een verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer op te leggen op de wijze zoals hierna is vermeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 56, 57, 310, 311, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 11 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF JAREN.
Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest
is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd een personenauto, merk Honda, type Civic, kleur zwart, kenteken [AA-BB-00], en een personenauto merk Ford, type Escort, kleur rood, kenteken [AA-00-BB].
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot het bedrag van € 2.722,68.
Verklaart de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in die vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Veroordeelt de benadeelde partij [naam] in de kosten die de verdachte in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van in totaal € 2.733,57.
Verklaart de benadeelde partij [naam] voor het overige niet-ontvankelijk in die vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van in totaal € 4.047,84.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 2.268,90.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 2.722,68.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van in totaal € 3.659,62.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van in totaal € 2.858,79.
Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [naam] in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Legt aan de verdachte voorts de verplichtingen op tot betaling aan de Staat der Nederlanden van - een bedrag van € 2.722,68 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van vijfendertig dagen;
- een bedrag van € 2.733,57 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van vijfendertig dagen;
- een bedrag van € 4.047,84 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van vijfenveertig dagen;
- een bedrag van € 2.268,90 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van vijfendertig dagen;
- een bedrag van € 2.722,68 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van vijfendertig dagen;
- een bedrag van € 3.659,62 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van veertig dagen;
- een bedrag van € 2.858,79 ten behoeve van het slacht-offer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van vijfendertig dagen.
Bepaalt dat door voldoening van een hiervoor opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden door de verdachte of door de mede-verdachte van een bedrag ten behoeve van een slachtoffer, de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van dat bedrag komt te vervallen, alsmede dat door betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij door de verdachte of door de mede-verdachte de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Van Boven en Zandbergen, in bijzijn van de griffier mr. Mulder.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 februari 2002.