ECLI:NL:GHSGR:2002:AF2554

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
357-H-02
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dusamos
  • Gerretsen-Visser
  • Van Montfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenbeschikking in familierechtelijke zaak

In deze zaak heeft de vader hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank waarin de behandeling van de zaak was aangehouden in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder heeft geen verweerschrift ingediend, maar aanvullende stukken overgelegd. De raad heeft aangegeven niet te zullen verschijnen bij de zitting.

Het hof oordeelt dat de bestreden beschikking een zuivere tussenbeschikking betreft, omdat de rechtbank slechts verzocht heeft om een onderzoek door de raad en verdere beslissingen heeft aangehouden. Een eindbeschikking is slechts aanwezig wanneer het dictum een volledige of gedeeltelijke afdoening van de zaak inhoudt.

Omdat hoger beroep tegen een tussenbeschikking niet eerder is toegelaten dan gelijktijdig met een eindbeschikking, en de rechtbank geen afwijkende beslissing heeft genomen, verklaart het hof het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk. De moeder heeft betoogd dat de beschikking geen eindbeslissing is, hetgeen door het hof wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vader wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het aanvechten van een tussenbeschikking.

Uitspraak

Uitspraak : 4 december 2002
Rekestnummer : 357-H-02
Rekestnr. rechtbank : 02-239
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellant],
wonende te [X],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. M-J.E. Gilsing.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende 1.],
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
2. De Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP
De vader is op 27 mei 2002 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 mei 2002.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de moeder zijn bij brief van 18 oktober 2002 bij het hof aanvullende stukken ingekomen.
De raad heeft het hof bij brief van 10 september 2002 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Op 30 oktober 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur en de moeder, bijgestaan door mr. S. Zijdenbos, advocate te 's-Gravenhage.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De vader is in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank, waarin de behandeling van de zaak, in afwachting van een onderzoek door de raad, is aangehouden.
2. De vader meent dat hoger beroep van de bestreden beschikking is toegelaten, omdat de rechtbank daarin geen omgangsregeling heeft vastgelegd, terwijl de beide ouders om die vastlegging hebben verzocht. De ouders zouden slechts van mening hebben verschild ten aanzien van de inhoud van de regeling. De bestreden beschikking zou volgens de vader dan ook een eindtoestand hebben gecreëerd.
3. De moeder stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking geen eindbeslissing betreft, zodat deze niet vatbaar is voor hoger beroep.
4. Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking een zuivere tussenbeschikking is. Er is immers slechts sprake van een eindbeschikking, wanneer door een uitdrukkelijk dictum aan het gehele geding dan wel een gedeelte daarvan een einde is gemaakt, dat wil zeggen: het dictum bevat een uitspraak, waarbij de rechter door toe- of afwijzing van het verzochte of een gedeelte daarvan de zaak wat de betrokken instantie betreft geheel of gedeeltelijk heeft afgedaan. Nu de rechtbank in het dictum van de bestreden beschikking enkel om een onderzoek door de raad heeft verzocht en iedere verdere beslissing heeft aangehouden, is in deze van een eindbeschikking geen sprake. Van een tussenbeschikking - zoals in casu - is hoger beroep niet eerder toegelaten dan gelijktijdig met de eindbeschikking, tenzij de rechter anders bepaalt, hetgeen niet is geschied.
Het hof zal, gelet op het vorenoverwogene, de vader in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Gerretsen-Visser en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Martens als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2002.