ECLI:NL:GHSGR:2002:AF8126
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Schuurman
- Vonk
- Visser
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke kwalificatie van optievoordeel als inkomsten belast tegen bijzonder tarief
Belanghebbende was van 1982 tot begin 1999 in dienst bij A B.V. en had in 1989 een arbeidsovereenkomst gesloten met concurrent C, die hij later heeft laten ontbinden. Om hem te behouden bood A hem deelname aan een aandelenoptieregeling aan, die hij accepteerde. In 1996 werden opties onvoorwaardelijk en belanghebbende oefende deze uit, wat resulteerde in een optievoordeel van ƒ 1.307.172.
De Inspecteur belastte dit voordeel tegen het reguliere tabeltarief en weigerde toepassing van het bijzondere tarief. Belanghebbende stelde dat het voordeel een bindingspremie was en daarom belast moest worden tegen het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet. Het Hof achtte aannemelijk dat de opties waren toegekend om belanghebbende te weerhouden van het verrichten van werkzaamheden voor concurrent C.
Het Hof oordeelde dat het optievoordeel daarom moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid in verband met het staken van werkzaamheden en dus belast dient te worden tegen het bijzondere tarief. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het Hof verklaart het beroep gegrond en belast het optievoordeel deels tegen het bijzondere tarief van artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.