ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6484

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/750
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • In 't Velt-Meijer
  • Schuering
  • Husson
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenvonnis inzake kennelijk onredelijk ontslag

Zorg en Welzijn is in hoger beroep gekomen tegen een tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam waarin Werknemer ontvankelijk werd verklaard in haar vorderingen inzake kennelijk onredelijk ontslag. De arbeidsovereenkomst was opgezegd per 19 februari 2001, waarna Werknemer een verklaring voor recht en schadevergoeding vorderde.

Het hof oordeelt dat het bestreden vonnis een tussenvonnis betreft, omdat het niet een einde maakt aan een deel van de vordering. Volgens artikel 337 Rv Pro is hoger beroep tegen tussenvonnissen niet toegestaan, tenzij de rechter dat uitdrukkelijk toestaat, wat hier niet het geval was.

Daarom verklaart het hof Zorg en Welzijn niet ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelt haar in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris procureur.

Uitkomst: Zorg en Welzijn is niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Uitspraak: 21 februari 2003
Rolnummer: 02 / 750 KA
Rolnr. rechtbank: 375513\01-3849
HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
STICHTING ZORG EN WELZIJN GROEP,
gevestigd te Spijkenisse,
appellante, hierna te noemen: Zorg en Welzijn,
procureur: mr. dr. F.J. Sandee,
tegen
de werknemer,
wonende te X,
geïntimeerde, hierna te noemen: Werknemer,
procureur: mr. A.R.M. van Deuzen.
Het geding
Bij exploot van 17 juni 2002 is Zorg en Welzijn in hoger beroep gekomen van het (tussen)vonnis van 19 maart 2002 door de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, gewezen tussen partijen met Werknemer als eiseres en Zorg en Welzijn als gedaagde. Bij appèldagvaarding heeft Zorg en Welzijn een grief tegen het vonnis aangevoerd. In de memorie van antwoord heeft Werknemer de grief bestreden. Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 2 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die in hoger beroep niet worden bestreden.
2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Zorg en Welzijn heeft bij brief van 31 januari 2001 - na verkregen toestemming van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening - de arbeidsovereenkomst met Werknemer opgezegd tegen 19 februari 2001. In eerste aanleg vordert Werknemer een verklaring voor recht dat het ontslag per 19 februari 2001 onregelmatig was en de arbeidsovereenkomst pas per 1 maart 2001 is geëindigd, zodat de eindafrekening per laatstgenoemde datum dient te geschieden. Daarnaast vordert zij een schadevergoeding van ƒ 76.050,-- bruto op grond van kennelijk onredelijk ontslag. Zorg en Welzijn voert onder meer aan dat de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag verjaard is. De rechtbank heeft geoordeeld dat Werknemer ontvankelijk in haar vorderingen is.
3. Het hof is van oordeel dat Zorg en Welzijn niet ontvankelijk is in het hoger beroep. De beslissing in het dictum dat Werknemer ontvankelijk is in haar vordering, maakt niet een eind aan een deel van het gevorderde, zodat het bestreden vonnis een tussenvonnis is en niet een (gedeeltelijk) eindvonnis. Artikel 337 Rv Pro. bepaalt dat hoger beroep niet mogelijk is van tussenvonnissen, tenzij de rechter anders heeft bepaald. De rechter heeft in dit geval echter geen hoger beroep toegestaan.
4. Zorg en Welzijn zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- verklaart Zorg en Welzijn niet ontvankelijk in het hoger beroep;
- veroordeelt Zorg en Welzijn in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Werknemer tot aan deze uitspraak bepaald op € 193,-- aan griffierecht en op € 998,-- aan salaris voor de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. In 't Velt-Meijer, Schuering en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2003 in aanwezigheid van de griffier.