ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7068
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Tijnagel
- Van Rijnberk
- Brandsma
- Rechtspraak.nl
Belastinggeschil over stakingswinst en waardering onderneming met badwill
Belanghebbende, geboren in 1931, dreef tot eind 1998 een familiebedrijf in witgoedverkoop en elektrotechnische installaties. Na overdracht aan zijn zoon in 1999 ontstond een geschil met de Inspecteur over de hoogte van de stakingswinst en de waardering van de onderneming, met name over de aanwezigheid van badwill en de waardering van het woon/winkelpand.
De Inspecteur verhoogde het belastbare inkomen fors, onder meer vanwege vermeende afwezigheid van badwill en een correctie op een voorziening voor onderhoud. Belanghebbende stelde dat er sprake was van onderrentabiliteit (badwill) en dat de verkoopprijs zakelijk was vastgesteld, mede vanwege persoonlijke en maatschappelijke redenen om de onderneming niet te liquideren.
Het Hof oordeelde dat de door belanghebbende voorgestelde ondernemersbeloning en extra kosten aannemelijk waren en dat er inderdaad sprake was van onderrentabiliteit, waardoor de verkoopprijs zakelijk was. De Inspecteur's stelling dat liquidatie een hogere opbrengst zou opleveren werd verworpen. Ook de waardering van het pand werd bevestigd, inclusief de vrijval van de onderhoudsvoorziening.
Het beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd van ƒ 309.673 tot ƒ 134.173, waarbij een deel belast werd tegen het bijzondere tarief. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en werd het griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: Het beroep werd gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 134.173.