ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9123

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK-02/00730
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Biemond
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijtelling privégebruik dienstauto en intrekking beleid per 17 maart 1997

Belanghebbende was in 1998 in dienst bij een onderneming en kreeg een personenauto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van ƒ 109.099. Hij gebruikte de auto meer dan 1.000 kilometer privé en gaf in zijn aangifte de bijtelling slechts aan voor de periode van 3 augustus tot en met 31 december 1998. De Inspecteur stelde de bijtelling echter vast over het gehele jaar, wat leidde tot een hoger belastbaar inkomen.

Het geschil betrof de vraag of de bijtelling beperkt kon worden op grond van het gelijkheidsbeginsel, waarbij de kern lag bij de datum van intrekking van het beleid inzake bijtelling privégebruik dienstauto's. Belanghebbende stelde dat het beleid pas op 3 augustus 1998 was ingetrokken, terwijl de Inspecteur stelde dat dit uiterlijk op 17 maart 1997 was gebeurd.

Het hof verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat het beleid uiterlijk op 17 maart 1997 was ingetrokken en dat bewindslieden op dat moment op de hoogte waren van deze intrekking. De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat de middelen van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de bijtelling terecht over het gehele jaar was berekend. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak werd op 21 mei 2003 in het openbaar gedaan door mr. Biemond.

Uitkomst: De bijtelling voor privégebruik van de dienstauto is terecht over het gehele jaar 1998 berekend en het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
tweede enkelvoudige belastingkamer
21 mei 2003
nummer BK-02/00730
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Onderne-mingen P van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van be-langhebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkom-stenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 mei 2003, gehouden te Dor-drecht. Aldaar is verschenen namens belanghebbende A, bijge-staan door mevrouw B, alsmede namens de Inspecteur C.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende was het gehele jaar 1998 in dienstbetrekking werkzaam bij D B.V. In verband met het verrichten van deze werkzaamheden is aan hem dat gehele jaar een personenauto ter beschikking gesteld. De cataloguswaarde van de auto bedraagt ƒ 109.099. Belanghebbende heeft de auto in dat jaar voor meer dan 1.000 kilometer gebruikt voor privé-doeleinden. De forfaitaire bijtelling ter zake van het privé-gebruik bedraagt twin-tig percent.
2. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 heeft belanghebbende de bijtelling ter zake van het privé-gebruik beperkt tot de periode van 3 augustus tot en met 31 december 1998. Het aangegeven belastbare inkomen bedraagt ƒ 86.931.
3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de bijtelling voor het privé-gebruik berekend over het gehele jaar en het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 99.781.
4. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de auto op grond van het gelijkheidsbeginsel kan worden beperkt tot de pe-riode van 3 augustus tot en met 31 december 1998, waarbij het geschil zich toespitst op de vraag of het in het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 1997, nr. 31 312, BNB 1997/160, be-doelde beleid op 17 maart 1997 is ingetrokken. Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag ontkennend en stelt dat het in het voornoemde arrest bedoelde beleid eerst op 3 augustus 1998, de dag van het aantreden van het Tweede Paarse Kabinet, is in-getrokken. De Inspecteur heeft de laatste vraag bevestigend be-antwoord.
5. Met betrekking tot de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 van belangheb-bende heeft dit Hof in zijn uitspraak van 24 november 2000, nr. 99/01450, geoordeeld dat de inhoud van de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 17 maart 1997, nr. DB97/1160M (V-N 1997/1305), geen andere conclusie toelaat dan dat het daarin omschreven beleid, dat tot dan toe werd gevoerd ten aanzien van bewindslieden met betrekking tot het privé-gebruik van dienstauto's, uiterlijk met ingang van die datum is ingetrokken. Voorts heef het Hof geoordeeld dat het niet aannemelijk acht dat de bewindslieden toen niet allen op de hoogte waren van die intrekking.
6. In cassatie heeft de Hoge Raad (Hoge Raad 29 maart 2002, nr. 36 753) geoordeeld dat de door belanghebbende voorgestelde middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat zulks, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, onder verwijzing naar Hoge Raad 24 januari 2002, nr. 35 604, BNB 2001/292, geen nadere motivering behoeft, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
7. In het licht van het onder 6 weergegeven oordeel van de Hoge Raad acht het Hof het onder 5 gegeven oordeel van het Hof juist en maakt dat oordeel dan ook tot de zijne.
8. Belanghebbende heeft overigens geen feiten en omstandighe-den gesteld en aannemelijk gemaakt die het beroep op het ge-lijkheidsbeginsel doen slagen. Het Hof is mitsdien van oordeel dat de Inspecteur de bijtelling ter zake van het privé-gebruik van de auto terecht niet heeft beperkt tot de periode van
3 augustus tot en met 31 december 1998.
9. Op grond van al het vorenoverwogene is het beroep onge-grond.
10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak is vastgesteld op 21 mei 2003 door mr. Biemond en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier drs. Bravenboer.
(Bravenboer) (Biemond)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uit-spraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onder-werpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hier-voor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de grif-fier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.