ECLI:NL:GHSGR:2003:AJ3825
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Walderveen
- Rechtspraak.nl
Navordering belasting na foutieve voorlopige aanslag en beroep op zorgvuldigheidsbeginsel afgewezen
Belanghebbende exploiteert sinds november 1998 een onderneming aan huis en deed aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1999. De Inspecteur legde op basis van deze aangifte een voorlopige aanslag op met een hoog belastbaar inkomen en verrekende loonheffing, wat leidde tot een teruggave. Later bleek dat de inkomensgegevens van de echtgenoot van belanghebbende onterecht waren gebruikt voor deze aanslagen.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag die de Inspecteur oplegde om de ten onrechte teruggegeven belasting alsnog te innen. Zij stelde dat geen nieuw feit aanwezig was en dat zij niet te kwader trouw was, mede omdat de fout van de Inspecteur niet werd onderkend. Tevens voerde zij aan dat de Inspecteur onzorgvuldig had gehandeld, waardoor de navordering in strijd zou zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het hof oordeelde dat de navordering terecht was op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, omdat loonheffing ten onrechte was verrekend. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalde, omdat belanghebbende al bij ontvangst van de voorlopige aanslag had moeten weten dat deze niet juist was. Ook het feit dat de echtgenoot al een teruggave had ontvangen, versterkte dit oordeel.
Het hof verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om schadevergoeding af, omdat geen gronden aanwezig waren voor vergoeding van kosten tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag wordt ongegrond verklaard en de navordering blijft in stand.