ECLI:NL:GHSGR:2003:AK3571
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van den Wildenberg
- De Bruijn-Lückers
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Bewijslast en alimentatieverplichtingen na echtscheiding bij samenwoning en verdeling woningopbrengst
In deze civiele zaak staat centraal de vraag wie de bewijslast draagt omtrent samenwoning in de zin van artikel 160 Boek Pro 1 BW en of de alimentatiegerechtigde afstand heeft gedaan van haar recht op alimentatie. De man stelde dat de vrouw samenwoonde als ware zij gehuwd, waardoor zijn alimentatieverplichting zou zijn gewijzigd, en dat hij aanspraak had op een gebruikersvergoeding voor de voormalige echtelijke woning. Deze stellingen werden door de rechtbank en het hof verworpen vanwege gebrek aan bewijs en gemotiveerde onderbouwing.
De alimentatie en bijdrage in de hypothecaire lasten waren na het echtscheidingsvonnis meerdere malen onderwerp van discussie en wijziging. De vrouw ontving tot 1 september 1995 circa ƒ 975,- per maand aan alimentatie. De rechtbank en het hof oordeelden dat zij niet had afstand gedaan van haar rechten en dat de man terecht was veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 35.100,- vermeerderd met rente en kosten.
Ook de door de man bestreden beslaglegging op de opbrengst van de woning werd als rechtmatig beoordeeld, mede omdat het beslag grotendeels was opgeheven in januari 1999. De man werd als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof bekrachtigde de vonnissen van de rechtbank van 28 april 1999, 2 februari 2000 en 13 december 2000.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst alle grieven van de man af, veroordeelt hem in de proceskosten.