ECLI:NL:GHSGR:2003:AK3806
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- van den Wildenberg
- Kok
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Waardering en verdeling van boedelbestanddelen na ontbinding huwelijksgemeenschap
In deze zaak staat de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap centraal, met name de waardering van de echtelijke woning en de verdeling van lasten en schade die na ontbinding van het huwelijk zijn ontstaan.
De vrouw verliet de woning eind augustus 1996 en kreeg daarna geen toegang meer. De woning stond leeg van september 1996 tot oktober 1997, waarna de man het exclusieve gebruik kreeg. Het hof bepaalt dat de vrouw de lasten draagt tot 1 september 1996, de lasten van september 1996 tot oktober 1997 gemeenschappelijk zijn en daarna voor rekening van de man komen. De vrouw heeft op basis hiervan een vordering van ƒ 17.230,63.
De vrouw betwist de omvang van de schade aan de woning die de man stelt. Het hof oordeelt dat de schadebegroting van het aannemersbedrijf niet aannemelijk is en dat er geen causaal verband is tussen de begrote schade en waardedaling van het pand. De rechtbank mocht de schade van ƒ 140.000,- niet meenemen in de verdeling.
Verder stelt het hof dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op het moment van het arrest, omdat eerdere taxaties en afspraken niet meer redelijk zijn gezien het tijdsverloop en het uitblijven van overeenstemming. De woning wordt aan de man toegedeeld, gelet op het feit dat hij er al jaren woont en de vrouw elders woonruimte heeft.
Andere geschilpunten zoals de waarde van een auto, sieraden en saldo op een rekening worden door het hof beoordeeld en grotendeels bevestigd zoals de rechtbank dat heeft gedaan. De vordering van de man tot schadevergoeding wegens het niet meewerken van de vrouw aan de tenaamstelling van de woning wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband.
Uitkomst: De woning wordt aan de man toegedeeld, de waardering vindt plaats op het moment van het arrest, en enkele schadeclaims worden afgewezen.