ECLI:NL:GHSGR:2003:AK4112

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK-02/03561
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Visser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 38 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opgeofferde verlofuren zijn geen buitengewone lasten voor studiekosten

Belanghebbende, werkzaam bij een gemeente, volgde een deeltijdopleiding Nederlands recht en bracht studiekosten en opgeofferde verlofuren als buitengewone lasten in mindering op haar inkomen. De Inspecteur wees deze aftrek af omdat opgeofferde verlofuren geen uitgaven zijn die ten laste van het vermogen komen.

Belanghebbende stelde dat de verlofuren op geld waardeerbaar zijn en dat de Inspecteur de gelijkheidsbeginsel had geschonden door in vergelijkbare gevallen elders wel aftrek toe te staan. Het hof oordeelde dat verlofuren geen uitgaven zijn omdat de waarde ervan niet eerst aan het vermogen van belanghebbende is toegevoegd en dat omzetting van inkomen in verlofuren geen uitgave vormt.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat niet was gebleken dat in een meerderheid van vergelijkbare gevallen een verkeerde wetstoepassing had plaatsgevonden. Ook was de Inspecteur niet gebonden aan standpunten van collega's in andere ambtsgebieden.

Hoewel belanghebbende niet was gehoord door de Inspecteur, werd het beroep toch inhoudelijk behandeld. Het hof concludeerde dat de aanslag terecht was vastgesteld en dat de Inspecteur voldoende had gemotiveerd. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard omdat opgeofferde verlofuren geen buitengewone lasten vormen.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
tweede enkelvoudige belastingkamer
4 september 2003
nummer BK-02/03561
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst, thans de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst (...) (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een aan haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 21 augustus 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur mr. A.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende is werkzaam bij de gemeente Q. In september 1999 is zij gestart met de deeltijdopleiding Nederlands recht aan de (...) vestiging van de Universiteit B. Naast kosten voor collegegeld, boeken en dergelijke heeft belanghebbende als buitengewone lasten een bedrag in mindering gebracht op haar inkomen van ƒ 2.864 wegens ten behoeve van haar studie via het zogenaamde cafetariamodel van haar werkgever verworven studieverlofdagen (ƒ 1.100) en gederfde inkomsten door omzetting van inkomen in ADV-uren (ƒ 1.764) (hierna tezamen: de verlofuren). De Inspecteur heeft dit bedrag niet in mindering toegelaten.
2. Belanghebbende stelt dat de (verworven) verlofuren op geld waardeerbaar zijn, zodat zodat de opoffering daarvan als een uitgave kan worden beschouwd, die is aan te merken als een buitengewone last, als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Voorts is belanghebbende van mening dat de Inspecteur de uitspraak op het bezwaarschrift onvoldoende heeft gemotiveerd en inbreuk heeft gemaakt op het gelijkheidsbeginsel, omdat een inspecteur bij de eenheid S en een inspecteur bij de eenheid T in soortgelijke gevallen wel een vermindering op het onzuivere inkomen hebben toegestaan.
3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de opgeofferde verlofuren niet kunnen worden aangemerkt als buitengewone lasten ter zake van studie voor een beroep.
4. Belanghebbende is, ondanks haar verzoek daartoe, ten onrechte niet door de Inspecteur gehoord, zoals deze ook beaamt. Zij heeft ter zitting verklaard zich daardoor in haar positie geschaad te voelen, maar heeft het Hof verzocht het beroep desondanks te behandelen en in de zaak te voorzien.
5. Voormeld artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep van de belastingplichtige. Vereist is derhalve dat er sprake is van uitgaven alsmede dat die uitgaven op de belastingplichtige drukken, dat wil zeggen dat de belastingplichtige die lasten zelf draagt en deze dus ten laste van zijn vermogen komen. Voorzover hier van belang bepaalt artikel 38, eerste lid, van de Wet in verbinding met artikel 46, vijftiende lid, van de Wet dat buitengewone lasten in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.
6. Het opnemen van verlofuren brengt niet mee dat belanghebbende daarvoor uitgaven heeft gedaan die ten laste van haar vermogen zijn gekomen. Dit opnemen is dus niet te beschouwen als het doen van uitgaven in de zin van voorvermelde bepaling. De opvatting dat verlofuren op geld waardeerbaar zijn en de waarde ervan bij opoffering daarvan een uitgave vormt, miskent dat die waarde eerst moet worden genoten en tot het vermogen van belanghebbende moet gaan behoren om vervolgens ten laste van haar vermogen te kunnen komen. Derhalve is de omzetting van inkomen in verlofuren evenmin te beschouwen als het doen van uitgaven in de zin van genoemde bepalingen. Het voor verlofuren verruilde inkomen is immers niet door belanghebbende genoten en is dientengevolge geen deel van haar vermogen gaan uitmaken. De opvatting van belanghebbende dat de waarde van de in verband met de studie opgenomen verlofuren buitengewone lasten vormen, kan dan ook niet als juist worden aanvaard. Omdat geen uitgaven ten laste van belanghebbendes vermogen zijn gekomen is ook geen tijdstip aan te wijzen waarop de buitengewone lasten in aanmerking zouden moeten worden genomen.
7. Met recht vergelijkt belanghebbende de opoffering van de verlofuren als een investering. Investeren is immers niet het doen van uitgaven of het maken van kosten die ten laste van het vermogen komen, maar het omzetten van kapitaal en/of arbeid in een productieve bestemming - zoals een kapitaalgoed of kennis - die op latere tijdstippen nut afwerpt.
8.1. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Bij afweging van het beginsel dat de wet moet worden toegepast, tegen het beginsel dat de administratie gelijke gevallen gelijk moet behandelen, dient aan laatstbedoeld beginsel alleen doorslaggevende betekenis te worden toegekend wanneer in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, met dien verstande dat hierbij onder meer niet in aanmerking worden genomen de vergelijkbare gevallen die niet vallen onder het ambtsgebied van de Inspecteur. De Inspecteur is niet gebonden aan het standpunt van zijn collega's in een ander ambtsgebied. De collega die onder de eenheid S ressorteert kan gelet op het vorenoverwogene niet in aanmerking worden genomen.
8.2. Nu belanghebbende niet meer dan één geval noemt dat tot het ambtsgebied van de Inspecteur behoort en haars inziens met het hare te vergelijken is, zonder dit overigens te willen dan wel kunnen concretiseren, is geen sprake van een meerderheid van gelijke gevallen waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.
8.3. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel is derhalve ongegrond. Overige omstandigheden op grond waarvan een beroep op het gelijkheidsbeginsel gehonoreerd zou moeten worden zijn door belanghebbende niet gesteld en ook overigens is daarvan niet gebleken.
9. Naar het oordeel van het Hof kunnen de grieven van belanghebbende niet leiden tot het oordeel dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Voorts is het Hof van oordeel dat de Inspecteur zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd.
10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak is vastgesteld op 4 september 2003 door mr. Visser en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Nederveen.
(Nederveen)
(Visser)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.