ECLI:NL:GHSGR:2003:AM2934
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Geen mogelijkheid tot voorlopige voorziening tijdens cassatieprocedure in belastingzaken
Verzoeker heeft een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 1998 ontvangen en hiertegen bezwaar gemaakt, dat is afgewezen. Vervolgens is beroep ingesteld bij het Hof, dat het beroep gegrond verklaarde en de boete verminderde. Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
Tijdens de cassatieprocedure heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van het Hof. Het Hof overweegt dat op grond van de wetgeving en parlementaire geschiedenis een verzoek om voorlopige voorziening tijdens de cassatieprocedure niet mogelijk is. Dit volgt uit artikel 29 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk omdat het beroep waarvoor de voorlopige voorziening wordt gevraagd niet meer aanhangig is bij het Hof, maar bij de Hoge Raad. Er is geen wettelijke voorziening voor voorlopige voorzieningen tijdens cassatie, en het Hof ziet geen leemte in de rechtsbescherming. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat tijdens de cassatieprocedure geen voorlopige voorziening kan worden gevraagd.