ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7349
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep kort geding
- In 't Velt-Meyer
- Schuering
- Husson
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nietigheid van kostbare beëindigingsovereenkomst wegens mogelijke strijd met goede zeden
Werknemer was sinds 1992 in dienst van Arbeidsvoorzieningsorganisatie en meldde zich in 1998 ziek. Op 20 juli 2000 sloten partijen een eerste beëindigingsovereenkomst met uitbetaling van loon en een bedrag van ƒ 250.000,-, maar deze werd niet uitgevoerd zonder duidelijke reden.
Op 14 maart 2001 sloten partijen een tweede beëindigingsovereenkomst met onmiddellijke herstelmelding, vrijstelling van werk tot juni 2002, een uitbetaling van ƒ 250.000,- per 1 juni 2002 en een FPU-plus regeling met pensioenopbouw tot 65 jaar. Werknemer vorderde nakoming van deze tweede overeenkomst, maar de voorzieningenrechter wees dit af.
Het hof constateerde dat de tweede overeenkomst financieel exorbitant was ten opzichte van de eerste, terwijl Werknemer geen productieve arbeid had verricht sinds de eerste overeenkomst. De achtergrond van de tweede overeenkomst was onduidelijk en mogelijk in strijd met goede zeden (art. 3:40 BW Pro). Daarom was het niet aannemelijk dat nakoming in een bodemprocedure zou worden toegewezen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde Werknemer in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot nakoming van de tweede beëindigingsovereenkomst af en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.