ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7590
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Stille
- Mulder
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van natuurlijke verbintenis en Vertrag zugunsten Dritter onder Duits en Nederlands recht
In deze zaak stond centraal of [belanghebbende] aanspraak kon maken op een bedrag van ƒ 113.000,- dat wijlen [de man] onder de Vertrag zugunsten Dritter bij de Raiffeisenbank had gestort. De contractuele relatie tussen wijlen [de man] en de bank werd beheerst door Duits recht, terwijl de vraag of er sprake was van een natuurlijke verbintenis tussen wijlen [de man] en [belanghebbende] onder Nederlands recht moest worden beoordeeld.
[Belanghebbende] stelde dat zij alleen aanspraak kon maken op het bedrag indien er een natuurlijke verbintenis bestond tussen haar en wijlen [de man]. Zij voerde aan dat het ondertekenen van de Vertrag zugunsten Dritter als het sluiten van een natuurlijke verbintenis moest worden gezien en dat wijlen [de man] haar had gerustgesteld over de financiële voorziening.
Het hof oordeelde dat een natuurlijke verbintenis een dringende morele verplichting inhoudt die, hoewel niet afdwingbaar, maatschappelijk als een prestatie wordt beschouwd. Het hof vond echter dat [belanghebbende] onvoldoende feiten had gesteld om te bewijzen dat een dergelijke verbintenis bestond. Het enkele feit van ondertekening van de Vertrag zugunsten Dritter volstond niet. Het bewijsaanbod van [belanghebbende] werd gepasseerd wegens gebrek aan onderbouwing.
Het hof verklaarde het hoger beroep tegen het eerdere vonnis niet ontvankelijk en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank van 26 mei 1999. Tevens werd [belanghebbende] veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van [belanghebbende] af wegens het ontbreken van een natuurlijke verbintenis.