ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9842
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Biemond
- Vonk
- Van Leijenhorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gemeenschappelijke huishouding voor successiebelasting na overlijden
Belanghebbende en de erflater hadden een langdurige affectieve relatie zonder geregistreerd partnerschap. De erflater overleed in 2000, waarna belanghebbende een aanslag successierecht kreeg opgelegd over de verkrijging.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende en de erflater gedurende ten minste vijf jaar voorafgaand aan het overlijden een gemeenschappelijke huishouding voerden in de zin van artikel 24, tweede lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956. Belanghebbende stelde dit, de inspecteur betwistte dit.
Het hof stelde vast dat er geen sprake was van een gemeenschappelijk hoofdverblijf; de huishoudelijke uitgaven waren gescheiden en er was geen financieel-economische eenheid. Ook omstandigheden zoals de afkomst en schroom ten aanzien van seksuele geaardheid konden het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf niet rechtvaardigen.
Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf te wijten was aan objectieve omstandigheden die een gemeenschappelijke huishouding toch aannemelijk maakten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag bleef onverminderd van kracht.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag successierecht blijft onverminderd van kracht.