ECLI:NL:GHSGR:2003:AO3445
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Fockema Andreae-Hartsuiker
- de Bruijn-Lückers
- Scheij
- Rechtspraak.nl
Naamskeuze na vaststelling geslachtsnaam bij naturalisatie en erkenning
In deze zaak stond de vraag centraal of naamskeuze mogelijk is nadat de geslachtsnaam van de moeder en haar kinderen bij Koninklijk Besluit is vastgesteld in het kader van naturalisatie. De moeder en vader wilden de geslachtsnaam van hun kinderen wijzigen naar die van de vader bij erkenning, maar de ambtenaar van de burgerlijke stand weigerde dit.
De rechtbank had de ambtenaar gelast de ouders in de gelegenheid te stellen de naamskeuze te doen, maar de ambtenaar ging in hoger beroep. Het hof overwoog dat artikel 1:7 lid 4 BW Pro, dat naamskeuze uitsluit indien de geslachtsnaam reeds bij Koninklijk Besluit is vastgesteld, in dit geval niet van toepassing is. Dit omdat de wetgever niet had voorzien in situaties waarin de naam van het kind is vastgesteld via naturalisatie van de moeder en het kind vervolgens door de biologische vader wordt erkend.
Verder stelde het hof dat het naamrecht valt onder de bescherming van artikel 8 EVRM Pro (recht op privé- en gezinsleven), waardoor het recht van ouders om een geslachtsnaam te kiezen voor hun kinderen beschermd wordt. Toepassing van artikel 1:7 lid 4 BW Pro zou in dit geval onverenigbaar zijn met dit recht. Het hof besloot dat de latere vermeldingen bij de geboorteakten van de kinderen kunnen worden verbeterd om de naamskeuze van de ouders weer te geven, aangezien erkenningsakten zelf niet kunnen worden verbeterd.
Ten slotte compenseerde het hof de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt, gezien de onduidelijkheid over de toepassing van de wet. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de eerdere beschikking vernietigd.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat naamskeuze mogelijk is en verbiedt toepassing van artikel 1:7 lid 4 BW in dit geval, met compensatie van proceskosten.