ECLI:NL:GHSGR:2004:AO1807
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Dusamos
- Van den Wildenberg
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Nietigheid echtscheidingsconvenant door intrekking echtscheidingsprocedure en gebrek aan direct verband
De man en vrouw zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. De man diende in juli 2002 een echtscheidingsverzoek in, waarbij de vrouw een echtscheidingsconvenant overlegde dat volgens haar was overeengekomen. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en stelde de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap conform dat convenant vast.
De man stelde in hoger beroep dat het convenant nietig is omdat hij zijn eerdere echtscheidingsverzoek in oktober 2001 had ingetrokken, waardoor de opschortende voorwaarde voor het convenant niet meer vervuld kon worden. Tevens voerde hij aan dat het convenant niet door hem was ondertekend in de tweede procedure.
De vrouw betoogde dat partijen na intrekking overleg hadden gehad en dat het convenant door beiden was ondertekend. Het hof oordeelde echter dat een echtscheidingsconvenant tijdens het huwelijk slechts kan worden aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat het huwelijk wordt ontbonden. Door intrekking van de procedure vervalt deze voorwaarde en verliest het convenant zijn juridische betekenis, tenzij anders blijkt.
Verder stelde het hof dat er een direct verband moet zijn tussen het sluiten van het convenant en de daaropvolgende echtscheidingsprocedure. Dit verband ontbrak hier, mede omdat het convenant niet was gedateerd en niet in het zicht van de tweede procedure tot stand was gekomen.
Daarom vernietigde het hof de bestreden beschikking voor zover deze het convenant betrof en wees het verzoek van de vrouw af. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moest opnieuw worden vastgesteld, maar de man had dit niet adequaat gevorderd.
Uitkomst: Het hof vernietigde de beschikking en wees het verzoek van de vrouw af wegens nietigheid van het echtscheidingsconvenant.