ECLI:NL:GHSGR:2004:AO4889
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Ritter
- Kramer
- Van Dissel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn bij vervolging huisarts actieve levensbeëindiging
In deze strafzaak werden twee huisartsen vervolgd wegens betrokkenheid bij actieve levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk schriftelijk verzoek van de patiënte. Na melding bij de gemeentelijke lijkschouwer en toetsing door de Toetsingscommissie euthanasie startte het openbaar ministerie een onderzoek en volgde een gerechtelijk vooronderzoek.
De zaak kenmerkte zich door een relatief eenvoudig onderzoek met beperkte getuigenverhoren. Na sluiting van het onderzoek op 17 oktober 2001 volgde een langdurige periode van inactiviteit door het openbaar ministerie tot de zitting op 30 oktober 2003. Deze periode van ruim drie jaar overschreed de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Het hof overwoog dat de zaak niet complex was, de verdachten volledig meewerkten en geen vertraging veroorzaakten. De langdurige inactiviteit van het OM kon niet worden gerechtvaardigd. Gezien de impact van de vervolgingsdreiging op de verdachten en het publieke debat over euthanasie, achtte het hof dit een uitzonderlijk geval dat niet-ontvankelijkheid rechtvaardigt.
Daarmee werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de huisartsen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn in de vervolging van de huisarts.