ECLI:NL:GHSGR:2004:AO5803

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13-R-04
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Duindam
  • Gerretsen-Visser
  • Verbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen verlenging machtiging uithuisplaatsing na afloop termijn

De vader stelde hoger beroep in tegen de beschikking van 23 oktober 2003 waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind werd verlengd tot 9 maart 2004, de dag waarop het kind meerderjarig werd. Het hof constateerde dat de geldigheidstermijn van de machtiging inmiddels was verlopen, waardoor het belang van de vader bij het hoger beroep was komen te vervallen. Ondanks een waarschuwing aan de advocaat van de vader om de zaak in te trekken, werd de zaak niet ingetrokken.

Tijdens de zitting verscheen de vader niet, en zijn advocaat kon geen redelijk belang aangeven voor het voortzetten van het hoger beroep. De minderjarige maakte geen gebruik van de mogelijkheid haar mening te geven. Het hof stelde vast dat in een eerder stadium een hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk was verklaard wegens niet-tijdige indiening.

Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ontbreken van een actueel belang. De beschikking werd uitgesproken door drie raadsheren en griffier tijdens een openbare terechtzitting op 10 maart 2004.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens het vervallen belang na afloop van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

Uitspraak : 10 maart 2004
Rekestnummer : 13-R-04
Rekestnr. rechtbank : F1 RK 03-2674
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats]
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. A.J. van Duijne Strobosch,
tegen
de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam,
kantoor houdende te Rotterdam,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP
De vader is op 7 januari 2004 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 oktober 2003 van de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam.
Jeugdzorg heeft geen verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 21 januari 2004 aanvullende stukken ingekomen.
Op 25 februari 2004 is de ontvankelijkheid van de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vader, mr. A.K. Ramdas; namens Jeugdzorg: de heer E. Homburg en mevrouw E. Zwaan, gezinsvoogdes. De vader is, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet in persoon versche-nen. De hierna te noemen minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling, dan wel schriftelijk haar mening ten aanzien van de uithuisplaatsing kenbaar te maken.
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.
De vader heeft het gezag over de minderjarige:
[kind], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: de minderjarige.
Op 16 mei 2002 heeft de raad een rapport uitgebracht over de opvoedingssituatie van de minderjarige.
Bij beschikking van 24 juni 2002 heeft de kinderrechter te Rotterdam de minderjarige onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 18 juni 2003 verlengd tot 9 maart 2004.
Bij beschikking van 11 december 2002 heeft de kinderrechter in de recht-bank te Rotterdam Jeugdzorg gemachtigd om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen op een bij jeugdzorg bekend adres tot 24 juni 2003.
Op 4 april 2003 heeft de vader tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 23 juli 2003 heeft het hof te 's-Gravenhage het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Op 29 augustus 2003 heeft Jeugdzorg de kinderrechter in de rechtbank te Rotterdam - uitvoerbaar bij voorraad - een spoedmachtiging voor de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling verzocht. Bij beschikking van 29 augustus 2003 heeft de kinderrechter te Rotterdam - uitvoerbaar bij voorraad - een machtiging tot plaatsing van de minderjarige verleend op een adres bekend bij Jeugdzorg tot 18 september 2003. Bij - opvolgende - beschikking van 23 september 2003 is de machtiging tot plaatsing van de minderjarige verleend tot 23 oktober 2003 op een bij Jeugdzorg bekend adres.
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter - uitvoerbaar bij voorraad - de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd, met ingang van 23 oktober 2003 op een bij Jeugdzorg bekend adres, tot 9 maart 2004.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De vader komt in hoger beroep van de beschikking van 23 oktober 2003, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] is verlengd tot 9 maart 2004, zijnde de datum waarop [kind] meerderjarig is geworden. De geldigheidstermijn van die machtiging is inmiddels verlopen, waardoor het belang van de vader bij zijn hoger beroep tegen deze beschikking is komen te vervallen.
De advocaat van de vader, mr. Ramdas, is voorafgaand aan de zitting door de griffier telefonisch verwittigd van het feit dat, nu er niet vóór 9 maart 2004 uitspraak zal worden gedaan, het hof in overweging geeft de zaak in te trekken. De zaak is echter niet ingetrokken.
Ter zitting heeft mr. Ramdas desgevraagd niet kunnen aangeven welk redelijk belang is gediend bij handhaving van het hoger beroep. Hij heeft aangegeven dat hij een uitspraak in het belang van het recht acht, maar heeft dit echter niet verder toegelicht. Een toelichting had echter mogen worden verwacht, te meer daar mr. Ramdas op de vraag waarom zijn cliënt ter zitting niet is verschenen geantwoord heeft dat deze "het hele systeem nergens op vindt slaan". Het hof constateert voorts dat de vader tegen een andere beschikking in een eerder stadium van deze zaak hoger beroep heeft ingesteld en toen niet-ontvankelijk is verklaard, vanwege het niet tijdig instellen van het hoger beroep. Op de vraag waarom ditmaal, weliswaar tijdig, hoger beroep is ingesteld op een zodanig laat tijdstip dat het belang van de zaak in het geding komt, is mr. Ramdas het antwoord (eveneens) schuldig gebleven.
2. Gelet op het vorengaande dient de vader niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Gerretsen-Visser en Verbeek bijge-staan door mr. Jooren-Philippa als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 10 maart 2004.