ECLI:NL:GHSGR:2004:AO6007
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Visser
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aanslag inkomstenbelasting na voorlopige teruggaaf met te hoge heffingskorting
Belanghebbende, gehuwd en zonder looninkomsten in 2001, ontving een voorlopige teruggaaf op basis van een nihil belastbaar inkomen. Bij definitieve aangifte bleek zij echter een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €612 te hebben, waarover €196 aan belasting verschuldigd was. De Inspecteur legde een aanslag van €196 op, rekening houdend met de reeds ontvangen voorlopige teruggaaf en heffingskorting.
Het geschil betrof de vraag of deze aanslag terecht was opgelegd, nu de voorlopige teruggaaf was gebaseerd op een te hoge gecombineerde heffingskorting. Het hof oordeelde dat op grond van artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een aanslag moet worden vastgesteld wanneer een voorlopige teruggaaf is verleend die ten onrechte of te hoog is genoten.
Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard omdat de aanslag terecht was opgelegd. Tevens werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd mondeling gedaan en is niet vatbaar voor cassatie.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 2001 wegens te hoge voorlopige teruggaaf.