ECLI:NL:GHSGR:2004:AO7562
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Koning
- Van Rijnberk
- Mos-Verstraten
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in vordering tot ontneming wegens overschrijding redelijke termijn
In deze zaak ging het om een hoger beroep van een commanditaire vennootschap tegen een beslissing van de arrondissementsrechtbank Dordrecht die een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had opgelegd. De vennootschap was eerder veroordeeld voor valsheid in geschrift, terwijl andere tenlastegelegde feiten niet tot straf leidden.
De vennootschap stelde dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard in de ontnemingsvordering vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het hof heropende het onderzoek en gaf het openbaar ministerie gelegenheid om het lange tijdsverloop te verklaren.
Het openbaar ministerie gaf aan dat ontnemingszaken doorgaans geen prioriteit hebben en dat niet-ontvankelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen moet worden uitgesproken. Het hof oordeelde echter dat de omstandigheden van deze zaak, waaronder het beslag op essentiële goederen die snel in waarde dalen, een uitzonderlijke situatie vormen.
Het hof stelde vast dat het openbaar ministerie jaren nodig had om tot het inzicht te komen dat de betalingsverplichting op nihil moest worden gesteld, terwijl dit eerder had kunnen gebeuren. Dit onnodige tijdsverloop achtte het hof onaanvaardbaar en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarmee het vonnis van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens overschrijding van de redelijke termijn.