ECLI:NL:GHSGR:2004:AO8997

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/577 KA KG
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
  • In 't Velt-Meijer
  • Beyer-Lazonder
  • Husson
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 lid 1 BWArt. 254 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt geldigheid proeftijdbeding na stageperiode bij salonassistent

In deze zaak stond de geldigheid van een proeftijdbeding centraal na een stageperiode. De werknemer had een kappersopleiding gevolgd met een stage van één dag per week en werd daarna aangenomen als salonassistent voor drie dagen per week. De werknemer werd na twee dagen ontslagen en stelde dat het proeftijdbeding niet rechtsgeldig was omdat zij tijdens de stage andere, minder uitgebreide werkzaamheden verrichtte dan in de arbeidsovereenkomst was vastgelegd.

Het hof stelde vast dat de werkzaamheden van een salonassistent volgens de CAO veel uitgebreider zijn dan de werkzaamheden tijdens de stage. De werknemer had tijdens de stage geen loon ontvangen en slechts één dag per week gewerkt, terwijl de arbeidsovereenkomst drie dagen per week betrof. Het hof oordeelde dat een stageovereenkomst niet gelijk is aan een arbeidsovereenkomst en dat het normaal is dat een nieuwe werknemer in het begin eenvoudige taken krijgt om in te werken.

Daarom was het proeftijdbeding rechtsgeldig overeengekomen en was het ontslag tijdens de proeftijd niet nietig. De eerdere uitspraak van de rechtbank, die het ontslag ongeldig had verklaard, werd vernietigd. De vorderingen van de werknemer werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaarde het proeftijdbeding rechtsgeldig en wees de vorderingen van de werknemer af.

Uitspraak

Uitspraak: 5 maart 2004
Rolnummer: 03/577 KA KG
Zaaknummer. rechtbank: 458420
HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van
[Appellante]
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
hierna te noemen:[appellante],
procureur: mr. G. Janssen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Het geding
Bij exploot van 24 april 2003 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 april 2003 door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam in kort geding gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellante] drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden.
Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
De beoordeling van het hoger beroep
1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder "De vaststaande feiten" van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die vaststelling als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden behoudens ten aanzien van de vaststelling van twee feiten, die bij de bespreking van grief I zullen worden behandeld.
2. Het gaat, kort samengevat, om het volgende. [geïntimeerde] heeft in het kader van een trajectplan van Maatwerk, een onderdeel van de Sociale Dienst in Rotterdam een kappersopleiding gevolgd bij CLM Opleidingen. De opleiding werd verzorgd door [appellante]. De opleiding duurde een half jaar en bestond uit een theoriegedeelte en een praktijkgedeelte. Het praktijkgedeelte bestond uit een stage van één dag per week in een van de vestigingen van [appellante]. [geïntimeerde] heeft stage gelopen in Rotterdam. Zij is geslaagd voor het (afsluitende) examen van de opleiding. Daarna is tussen [geïntimeerde] en [appellante] een arbeidsovereenkomst voor drie dagen per week en voor een bepaalde tijd van zes maanden gesloten. Een proeftijdbeding van een maand maakte deel uit van de overeenkomst. Zij is per 1 november 2002 in dienst getreden en is gaan werken in een vestiging in Den Haag. Op 2 november 2002 is zij ontslagen. [geïntimeerde] heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen, omdat het proeftijdbeding niet rechtsgeldig is. Zij vordert in kort geding onder meer doorbetaling van loon met de wettelijke verhoging en toelating tot haar eigen dan wel vergelijkbare werkzaamheden. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen.
3.1. Grief I luidt: "Ten onrechte heeft de Kantonrechter als tussen partijen vaststaand feit opgenomen dat de bij arbeidsovereenkomst bedongen werkzaamheden bestaan uit het wassen en vegen van haren, het koffie zetten en het schoonmaken. Voorts heeft de Kantonrechter ten onrechte aangenomen dat de bij arbeidsovereenkomst bedongen werkzaamheden gelijk zijn aan de werkzaamheden van de die [geïntimeerde] tijdens haar stage verrichtte."
3.2. In de toelichting heeft [appellante] naar voren gebracht, dat [geïntimeerde] tijdens haar stage haren heeft gewassen, haren heeft geveegd, heeft schoongemaakt en koffie heeft gezet. [geïntimeerde] heeft gedurende zes maanden één dag per week stage gelopen. [geïntimeerde] is vervolgens aangenomen als salonassistent. Blijkens de (overgelegde) taakomschrijving van een salonassistent als bepaald in de CAO voor het kappersbedrijf heeft een salonassistent een veel omvangrijker taak dan slechts het wassen en vegen van haren. Zo diende [geïntimeerde] in haar functie materialen klaar te zetten, kleurmiddelen en permanentvloeistoffen op te brengen, het haar in model te kammen, het haar te drogen onder het warmteapparaat en met de hand en föhn, wikkeltechnieken uit te voeren, gereedschappen en meubilair in de salon schoon te houden, klanten over haarverzorging te adviseren alsmede behandelingen en haarproducten te verkopen. Daarnaast kreeg ze ook eigen verantwoordelijkheden, welke zij tijdens de stage niet had. Onder afbreukrisico wordt in de CAO bij de functie van salonassistent aangegeven dat ook afspraken met klanten moeten worden gemaakt, klanten moeten worden ontvangen en over modellen en haarverzorging moet worden geadviseerd. Aangezien [geïntimeerde] als salonassistent was tewerkgesteld betroffen de overeengekomen werkzaamheden alle werkzaamheden en verantwoordelijkheden als genoemd in de functieomschrijving van salonassistent, aldus [appellante].
3.3. Het hof overweegt als volgt. Uit de bij memorie van grieven overgelegde Verbindendverklaring CAO-bepalingen Kappersbedrijf 2001/2002 blijkt dat de werkzaamheden van een salonassistent omvatten hetgeen [appellante] in de toelichting op deze grief naar voren heeft gebracht en dat is meer dan het haren wassen en vegen, het koffiezetten en het schoonhouden. De grief slaagt.
4.1. Grief II luidt: "De Kantonrechter heeft ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, althans onvoldoende gemotiveerd geoordeeld dat het proeftijdbeding tussen [appellante] en [geïntimeerde] nietig is. Voorts heeft de Kantonrechter ten onrechte overwogen dat [appellante] zich reeds tijdens de stageperiode van de geschiktheid van [geïntimeerde] voor de te verrichten arbeid voldoende op de hoogte heeft kunnen stellen."
4.2. [appellante] licht deze grief als volgt toe. De stageovereenkomst dient niet als arbeidsovereenkomst te worden gekwalificeerd, aangezien de tijdens de stage door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden voor [appellante] van een verwaarloosbare economische waarde waren. Het betrof geen arbeid in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW Pro. [geïntimeerde] kreeg geen loon. Aan de stage bij [appellante] lag geen overeenkomst tussen partijen ten grondslag. Omdat partijen met elkaar voor het eerst een arbeidsovereenkomst sloten, is het proeftijdbeding alleen daarom al geldig.
Voorts voert [appellante] aan, dat de functie van salonassistent meer vaardigheden en verantwoordelijkheden vereist dan de vaardigheden waarvan [appellante] zich tijdens de stage op de hoogte kon stellen. Daarbij komt, dat de arbeidsovereenkomst voor drie dagen per week is gesloten terwijl [geïntimeerde] tijdens de stage één dag per week aanwezig was. [appellante] behoefde er niet zonder meer op te vertrouwen dat [geïntimeerde] in een dienstverband van drie dagen per week even goed zou presteren als tijdens de stage van
één dag per week. De proeftijd is rechtsgeldig tot stand gekomen, aldus nog steeds [appellante].
4.3. Zoals reeds bij de vorige grief is overwogen, zijn de overeengekomen werkzaamheden niet gelijk aan de werkzaamheden, die [geïntimeerde] tijdens haar stage heeft verricht. [geïntimeerde] heeft echter onbetwist gesteld, dat zij in de anderhalve dag dat zij in het kader van de arbeidsovereenkomst heeft gewerkt, feitelijk hetzelfde werk heeft gedaan als tijdens haar stage, te weten haren wassen en vegen, koffiezetten en schoonmaken. Bezien moet worden of dit gegeven er toe leidt, dat de proeftijd niet rechtsgeldig is overeengekomen.
4.4. Het hof acht het een normale zaak, dat een nieuwe salonassistent in de eerste dagen van haar dienstbetrekking belast wordt met eenvoudige werkzaamheden zoals het wassen en vegen van haren en nog niet met de bedongen werkzaamheden. De nieuwe werkneemster zal zich eerst moeten inwerken. Zo zal zij de collega's en de klanten moeten leren kennen, zich op de hoogte moeten stellen van de gang van zaken in de kapsalon en bekend moeten worden met in de salon gehanteerde werkwijze alvorens te kunnen worden belast met de werkzaamheden, die bij de functie behoren. In het geval van [geïntimeerde] is het zo ver niet gekomen, omdat [appellante] haar reeds op de tweede werkdag heeft ontslagen. Dat het zo ver niet gekomen is en dat het functioneren van [geïntimeerde] in de bedongen functie verder niet beoordeeld is kunnen worden, maakt echter niet dat die feitelijk verrichte werkzaamheden van doorslaggevende betekenis zijn. Het hof acht van groot belang, dat de bedongen werkzaamheden meer en andere werkzaamheden en andere verantwoordelijkheden van [geïntimeerde] vergden dan zij tijdens de stage heeft verricht dan wel heeft gedragen. Daarbij komt dat [geïntimeerde] slechts één dag per week gedurende zes maanden stage heeft gelopen, hetgeen neerkomt op circa 25 dagen en - naar [appellante] onbetwist heeft gesteld - gedurende de stage haar bijstandsuitkering heeft behouden en geen loon van [appellante] heeft ontvangen. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de stageovereenkomst dezelfde of nagenoeg dezelfde identiteit had als de daarop volgende arbeidsovereenkomst. Het hof komt daarmee tot het oordeel, dat de proeftijd rechtsgeldig is overeengekomen en dat de opzegging, die tijdens de proeftijd heeft plaatsgevonden, niet nietig is. De grief slaagt.
5. Nu beide grieven slagen, behoeft grief III, die betrekking heeft op de toegewezen loonsom geen bespreking meer.
6. De slotsom is, dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel die in eerste aanleg als die in hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van 2 april 2003 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam in kort geding ex artikel 254, lid 4 Rv tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende:
- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellante] in eerste aanleg tot 2 april 2003 bepaald op € 350,-- aan salaris voor de gemachtigde en in hoger beroep tot op heden bepaald op € 273,20 aan verschotten en op € 771,-- aan salaris voor de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. In 't Velt-Meijer, Beyer-Lazonder en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2004 in aanwezigheid van de griffier.