ECLI:NL:GHSGR:2004:AO8998
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep kort geding
- In 't Velt-Meijer
- De Wild
- Schuering
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt geldigheid proeftijdbeding ondanks latere schriftelijke vastlegging
In deze zaak stond de geldigheid van een proeftijdbeding centraal, nadat de arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en Vidi werd opgezegd kort na de aanvang van het dienstverband. Partijen waren mondeling overeengekomen dat [appellante] per 1 juni 2002 in dienst zou treden met een proeftijd van twee maanden, welke later schriftelijk werd vastgelegd op 30 juni 2002.
[Appellante] stelde dat het proeftijdbeding niet rechtsgeldig was omdat het niet schriftelijk bij aanvang van de arbeidsovereenkomst was overeengekomen en dat zij pas na ontvangst van de schriftelijke overeenkomst op de hoogte was gebracht van de proeftijd. Het hof oordeelde echter dat de wet (artikel 7:652 BW Pro) vereist dat het proeftijdbeding schriftelijk wordt overeengekomen, maar dat dit ook na aanvang van de werkzaamheden kan plaatsvinden.
Het hof concludeerde dat onvoldoende aannemelijk was dat partijen niet mondeling een proeftijd waren overeengekomen vóór de start van het dienstverband. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een vruchtbare samenwerking geen misbruik van bevoegdheid oplevert. De grieven van [appellante] werden verworpen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het ontslag tijdens de proeftijd rechtsgeldig.