ECLI:NL:GHSGR:2004:AP3179
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Reinking
- Van Strien
- Van den Berg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens ontbreken voordeel bij veroordeelde
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor milieudelicten en het openbaar ministerie vorderde ontneming van een bedrag van ruim één miljoen euro. De rechtbank had dit bedrag vastgesteld en de veroordeelde daartoe veroordeeld.
Het hof heeft echter geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de veroordeelde zelf het voordeel heeft genoten. Op basis van de verklaring van de vertegenwoordiger van de veroordeelde concludeert het hof dat het gehele voordeel is toegekomen aan een andere persoon, een medeverdachte.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het de vordering van het openbaar ministerie af. Dit betekent dat de veroordeelde niet hoeft te betalen voor het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel.
De procedure omvatte meerdere zittingen, waaronder een aanhouding voor overleg met de verdediging van een medeverdachte. De advocaat-generaal had een lagere vordering ingesteld dan de rechtbank, maar ook deze werd door het hof verworpen.
Het arrest is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 16 juni 2004 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af omdat niet is vastgesteld dat de veroordeelde het voordeel heeft verkregen.