ECLI:NL:GHSGR:2004:AP4121

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/03319
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van Walderveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.7a Wet IB 2001Art. 8.11 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op arbeidskorting voor uitkering Centraal Beheer wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid

Belanghebbende ontvangt sinds 1994/1995 twee arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waaronder een uitkering van Centraal Beheer op grond van een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering. Voor het belastingjaar 2001 verzocht belanghebbende om toepassing van de arbeidskorting op basis van de Wet inkomstenbelasting 2001.

De Inspecteur weigerde deze aftrek, stellende dat de uitkering van Centraal Beheer niet kwalificeert als een uitkering wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Het hof bevestigt dit standpunt en stelt vast dat de uitkering meer het karakter heeft van een beloning voor eerder verrichte arbeid.

Hoewel de uitkering een tijdelijk karakter heeft omdat deze eindigt bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of bij herstel van arbeidsongeschiktheid, is dit onvoldoende om de uitkering als tijdelijk te kwalificeren in de zin van de wet. Een verzoek tot hernieuwde beoordeling van de arbeidsongeschiktheid leidt niet tot een ander oordeel omdat geen feiten zijn aangevoerd die een vermindering of beëindiging van de uitkering aantonen.

Het hof verklaart het beroep ongegrond en wijst de toepassing van de arbeidskorting af. Er worden geen proceskosten aan de Inspecteur toegekend.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de arbeidskorting wordt geweigerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
eerste enkelvoudige belastingkamer
15 juni 2004
nummer BK-03/03319
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de voor het jaar 2001 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 1 juni 2004, gehouden te Den haag. Aldaar is verschenen mr. A namens de Inspecteur. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Zij is door de griffier bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, verzonden op 20 april 2004 aan het adres a-straat 1 te Z, onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens een door de griffier van TPG Post ontvangen retourkaart is de vorenbedoelde brief op 29 april 2004 aan belanghebbende uitgereikt.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende geniet vanaf 1994/1995, zo ook in het onderhavige belastingjaar (2001), een tweetal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, te weten een uitkering van het GAK en een uitkering van Centraal Beheer. De uitkering van het GAK is een uitkering krachtens de WAO en de uitkering van Centraal Beheer is een uitkering op grond van een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering die aansluit bij het regime van de WAO. De polisvoorwaarden van die laatste verzekering behoren in kopie tot de stukken van het geding. Op beide uitkeringen is loonheffing ingehouden, zulks met toepassing van de groene tabel. Andere inkomsten geniet belanghebbende niet.
2. In 1995 heeft Arboned na medisch onderzoek de mate van belanghebbendes arbeidsongeschiktheid op tachtig à honderd percent en het uitkeringspercentage op honderd vastgesteld.
3. Belanghebbende heeft een brief ontvangen met dagtekening 24 maart 2003 voor een beoordeling van het uitkeringsrecht ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van UWV GAK.
4. Bij de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 heeft belanghebbende om toepassing van de arbeidsaftrek op de voet van artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) verzocht. Het verzamelinkomen is becijferd op € 48.268.
5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de aftrek van de arbeidsaftrek geweigerd. Het verzamelinkomen is op € 48.268 vastgesteld. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak aan de correctie vastgehouden.
6. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de arbeidskorting. Het antwoord van belanghebbende luidt bevestigend, dat van de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende betoogt dat de van Centraal Beheer ontvangen uitkering is genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid.
7. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat uit het geheel van voorhanden zijnde gegevens niet anders is af te leiden dan dat van de uitkering van Centraal Beheer kan worden gezegd dat die het karakter heeft van een beloning die meer algemeen haar oorzaak vindt in de omstandigheid dat belanghebbende voorheen arbeid verrichtte en dat die voorts niet heeft te gelden als een uitkering wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. De enkele omstandigheid dat deze uitkering een tijdelijk karakter heeft, in die zin dat de verzekering wordt beëindigd zodra de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt of zoveel eerder indien belanghebbende niet meer arbeidsongeschikt is, rechtvaardigt niet om daarover een ander standpunt in te nemen, reeds vanwege de inmiddels verstreken looptijd van de uitkering(en). Ook overigens heeft belanghebbende niets naar voren gebracht op grond waarvan daarover anders kan worden geoordeeld. Ook de oproep tot een hernieuwde beoordeling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering kan niet tot een andersluidend oordeel leiden. Belanghebbende op wiens weg zulks ligt heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is verminderd dan wel is beëindigd. De enkele oproep is daartoe van onvoldoende gewicht.
8. Het in 7 overwogene brengt mee dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van de arbeidsaftrek.
9. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.
10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak is vastgesteld op 15 juni 2004 door mr. Van Walderveen en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Kwestro.
(Kwestro)
(Van Walderveen)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.
nummer BK-03/03319 blz. 4/4