ECLI:NL:GHSGR:2004:AP8132

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK-03/01856
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Otto Engel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.8 Wet IB 2001Art. 8.9 Wet IB 2001Art. 8.10 Wet IB 2001Art. 9.4 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voorlopige teruggaaf en aanslag gecombineerde heffingskorting inkomstenbelasting 2001

Belanghebbende diende in maart 2002 zijn aangifte inkomstenbelasting 2001 in, waarbij hij gebruik maakte van een aangifteprogramma dat aangaf dat geen aanslag te verwachten was. De Inspecteur legde echter een aanslag op van €195, omdat de voorlopige teruggaaf van de gecombineerde heffingskorting te hoog was vastgesteld.

Belanghebbende voerde aan dat de aanslag niet had mogen worden opgelegd omdat het verschuldigde bedrag onder de aanslaggrens van artikel 9.4 Wet IB 2001 lag en beriep zich op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van het aangifteprogramma en de mededeling van de Inspecteur.

Het hof oordeelde dat de aanslag terecht was opgelegd omdat de voorlopige teruggaaf hoger was dan de daadwerkelijke heffingskorting waarop belanghebbende recht had. De aanslaggrens was niet van toepassing vanwege deze overschrijding. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de Inspecteur geen verantwoordelijkheid draagt voor het aangifteprogramma en de mededeling onvoldoende was om een rechtens beschermd vertrouwen te rechtvaardigen.

Het hof verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de aanslag inclusief de heffingsrente. Er werd geen kostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag inkomstenbelasting 2001 van €195.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
vijfde enkelvoudige belastingkamer
30 juni 2004
nummer BK-03/01856
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/P, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen voor het jaar 2001 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 16 juni 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en A namens de Inspecteur.
Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende woonde gedurende geheel 2001 ongehuwd samen met mevrouw B. Zij hebben er voor gekozen om als fiscale partners te worden aangemerkt.
2. Belanghebbende heeft in verband met de heffingskorting een verzoek gedaan tot vaststelling van een voorlopige teruggaaf over het jaar 2001. Naar aanleiding van dit verzoek is aan belanghebbende een voorlopige teruggaaf van ƒ 3.473 (€ 1.576) toegekend, welk bedrag gelijk is aan het bedrag van de algemene heffingskorting.
3. Belanghebbende heeft in zijn in maart 2002 ingediende aangifte voor het jaar 2001 de volgende inkomensbestanddelen opgenomen:
Winst uit onderneming € 1.538
Inkomsten uit eigen woning € 0
Premies voor periodieke uitkeringen € 547 -
Inkomen box 1 € 991
Inkomen box 3 € 1.178
Verzamelinkomen € 2.169
Belanghebbende heeft zich bij de invulling van het aangiftebiljet bediend van het Elsevier-aangifte programma dat aangaf dat belanghebbende op basis van de aldus ingediende aangifte geen aanslag met een te betalen bedrag zou behoeven te verwachten.
4. Op 12 juni 2002 wordt belanghebbende vanwege de Inspecteur een schrijven toegezonden waarin het volgende is vermeld:
"U heeft onlangs een aangifte Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen 2001 gedaan. De gegevens die u daarin heeft vermeld, leiden op dit moment niet tot een teruggaaf of een te betalen bedrag.
Nadat ik uw aangifte 2001 heb gecontroleerd, ontvangt u een definitieve aanslag. Bij het vaststellen van deze aanslag kan ik afwijken van de gegevens die u heeft verstrekt. Als ik afwijk van uw aangifte, ontvangt u hierover bericht".
5. Blijkens aanslagbiljet van 2 april 2003 is de onderwerpelijke aanslag opgelegd naar een bedrag aan te betalen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van ƒ 430 (€ 195). De Inspecteur heeft deze aanslag als volgt berekend:
Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen € 195
Af: heffingskorting(en) - 1.576
€ 1.381
Bij: voorlopige teruggave(n) - 1.576
€ 195.
De aanslag is opgelegd conform de aangifte.
Tegelijk met het opleggen van de aanslag is bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 8 aan heffingsrente in rekening gebracht.
6. Tussen partijen is in geschil of de aanslag terecht is vastgesteld. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat geen aanslag had mogen worden opgelegd, omdat de verschuldigde belasting minder bedraagt dan de in artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet vervatte aanslaggrens van ƒ 432 (€ 196). Voorts doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur stelt zich daartegenover op het standpunt dat de aanslag ingevolge het bepaalde in artikel 9.4, vierde lid, van de Wet terecht is opgelegd, omdat de verhoging van de gecombineerde heffingskorting tot een te hoog bedrag is genoten. Voorts neemt hij het standpunt in dat aan het aangifteprogramma van Elsevier noch van de onder 4. vermelde mededeling het in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend dat in dezen geen belasting zou zijn verschuldigd.
7. Belanghebbende is over de aan hem toegerekende inkomensbestanddelen een bedrag aan gecombineerde inkomensheffing verschuldigd van € 195. Ingevolge artikel 8.8 van de Wet bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing, derhalve € 195. Nu vaststaat dat belanghebbende in het onderhavige jaar de minstverdienende partner is geweest en dat zijn partner voorts voldoende inkomen heeft genoten, wordt de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.9, eerste lid, in verbinding met artikel 8.10 van de Wet verhoogd met een bedrag van € 1.381 (tot € 1.576, zijnde de algemene heffingskorting overeenkomstig artikel 8.10 van de Wet).
8. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet wordt een aanslag vastgesteld indien voor of in de loop van het kalenderjaar een voorlopige teruggaaf is vastgesteld. Voormelde bepaling blijft echter buiten toepassing, indien een voorlopige teruggaaf uitsluitend met het oog op de heffingskorting is vastgesteld, tenzij de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 van de Wet ten onrechte of tot een te hoog bedrag is genoten. Laatstgenoemde uitzondering doet zich hier voor. Nu belanghebbende door middel van de voorlopige teruggaaf een bedrag van € 1.576 aan heffingskorting heeft genoten, terwijl de verhoging van de gecombineerde heffingskorting in zijn geval € 1.381 bedraagt (zie hiervóór onder 7.), is de verhoging van de gecombineerde heffingskorting immers tot een te hoog bedrag genoten. De in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bedoelde aanslaggrens is in dezen, ook afgezien van de in rekening gebrachte heffingsrente, niet van toepassing. In zoverre faalt het beroep.
9. Voorts stelt belanghebbende een in rechte te beschermen vertrouwen te kunnen ontlenen aan het aangifteprogramma van Elsevier. Volgens een afdruk van een met dit computerprogramma vervaardigde 'Berekening inkomen en belasting 2001' zou na toepassing van de regels voor een verplichte aanslag het te betalen bedrag nihil zijn. Deze stelling faalt omdat de Inspecteur geen verantwoordelijkheid draagt voor dit programma. De omstandigheid dat de Belastingdienst bij gelegenheid ter ondersteuning van een door haar ingenomen standpunt verwijst naar de door Elsevier uitgegeven Belastingalmanak doet hieraan niet af. Ook waar belanghebbendes beroep op schending van het vertrouwensbeginsel steunt op de onder 4. vermelde mededeling faalt het. Voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur na ontvangst van de aangifte op basis van een kennelijk globale beoordeling heeft aangegeven dat op dat moment de aangifte niet leidt tot een te betalen bedrag. Hieraan doet niet af dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet is afgeweken van de aangifte.
10. Op grond van het hiervóór overwogene is de onderwerpelijke aanslag terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.
11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak is vastgesteld op 30 juni 2004 door mr. Engel en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier.
(Otto) (Engel)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.