ECLI:NL:GHSGR:2004:AP9097
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- De Wild
- Beyer-Lazonder
- Husson
- Rechtspraak.nl
Beëindiging onderhuurovereenkomst wegens schending woningtoewijzingsbeleid
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een onderhuurovereenkomst van een woning die door de appellant werd gehuurd van een huurder die zelf huurde van de woningcorporatie WBR. Nadat de hoofdhuurovereenkomst tussen WBR en de huurder was beëindigd, vorderde WBR de beëindiging van de onderhuurovereenkomst en ontruiming van de woning.
De rechtbank had de onderhuurovereenkomst ontbonden en ontruiming toegewezen, maar het hof corrigeerde dit naar beëindiging van de overeenkomst en stelde nieuwe data vast voor beëindiging en ontruiming, namelijk 31 juli 2004. De appellant voerde onder meer aan dat hij al vier jaar in de woning woonde en dat het woningtoewijzingsbeleid niet werkte, maar het hof oordeelde dat het belang van WBR bij handhaving van het distributiebeleid voor schaarse woonruimte zwaarder woog.
Het hof overwoog dat de wetenschap van de appellant over het verbod op onderhuur niet uitsluit dat hij zich op artikel 7:1623k BW kan beroepen. De belangenafweging tussen WBR en appellant leidde tot het oordeel dat het redelijk en billijk is dat WBR haar toewijzingsbeleid handhaaft en dat de appellant de woning moet verlaten. Het hoger beroep werd afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met aanpassing van de terminologie en termijnen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van de onderhuurovereenkomst en stelt de ontruimingsdatum vast op 31 juli 2004.