2. Het gaat om het volgende.
[appellant] was als journalist werkzaam bij [geïntimeerde] op de redactie binnenland van de Haagsche Courant met een dienstverband van 40 uur per week. Feitelijk werkte hij 35 uur per week. In het voorjaar van 1998 heeft de chef redactie binnenland [appellant] verzocht zijn werkzaamheden met één uur per dag uit te breiden ten behoeve van de zogeheten Mensen-rubriek. [appellant] heeft dit geweigerd omdat hij zich daartoe niet in staat achtte en het verzoek onredelijk achtte.
Op 4 mei 1998 heeft hierover een gesprek plaatsgehad tussen de chef redactie binnenland, [appellant] en de hoofdredacteur, die het verzoek van de chef redactie binnenland steunde. [appellant] heeft zich vervolgens gewend tot de bedrijfsarts, die op 5 mei 1998 schriftelijk een negatief advies heeft uitgebracht over de uitbreiding van de werkzaamheden van [appellant]. Op 7 mei 1998 is tijdens een gesprek hierover tussen [appellant] en de hoofdredacteur een conflict ontstaan. Hierna heeft [appellant] zich ziek gemeld.
Met ingang van 7 mei 1999 heeft [appellant] een volledige WAO-uitkering genoten. Deze uitkering is per 1 juli 2001 beëindigd omdat [appellant] per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden. Een door [geïntimeerde] bij de Regionaal Directeur van de Arbeidsorganisatie (RDA) in februari 2001 aangevraagde ontslagvergunning is in september 2001 afgewezen omdat [appellant] niet langer arbeidsongeschikt was.
In een brief van 2 april 2001 aan [geïntimeerde] heeft [appellant] een aan hem te betalen schadevergoeding van zes maanden salaris aan de orde gesteld.
Op 25 juli 2001 is [appellant] op staande voet ontslagen, omdat hij na herhaalde oproepen niet op het werk was verschenen.
Op 27 augustus 2001 heeft tussen [de stafmedewerker arbeidszaken] van [geïntimeerde], [appellant] en zijn advocaat, mr. Geraedts, een gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is het ontslag ingetrokken en is gesproken over de werkhervatting en de reïntegratie van [appellant]. [appellant] heeft in dit gesprek onder meer om een financiële genoegdoening verzocht.
[appellant] heeft niet meer bij [geïntimeerde] gewerkt.
Op 9 november 2001 heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] met een inmiddels opnieuw aangevraagde en verkregen ontslagvergunning van de RDA opgezegd tegen 1 februari 2002.
[geïntimeerde] heeft het salaris van [appellant] gedurende het eerste ziektejaar doorbetaald, vervolgens de WAO-uitkering tot zijn nettosalaris aangevuld en met ingang van 12 juli 2001 de salarisbetaling hervat. Per 1 oktober 2001 heeft [geïntimeerde] de salarisbetalingen aan [appellant] gestaakt.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant], waaronder een verklaring voor recht, dat het gegeven ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk is en betaling van een schadevergoeding van € 100.000,- en van achterstallig salaris, afgewezen.